Uitspraak BRS.25.001607
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1290
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001607
ECLI:NL:RVS:2026:1290
Datum uitspraak: 10 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 september 2025 in zaak nr. NL.25.9752 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft in hoger beroep een traumataxatie overgelegd, opgemaakt door Inara jeugdhulp. Dit rapport dateert van 27 maart 2025. Dat is vóór de uitspraak van de rechtbank en de inhoud ervan heeft betrekking op de periode van vóór de uitspraak van de rechtbank. Dit rapport wordt niet bij de beoordeling betrokken omdat de uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen en appellant geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom zij dit stuk niet al in beroep heeft kunnen inbrengen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026
307-1183