Uitspraak BRS.25.002317
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:690
- Datum uitspraak
- 10 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.002317
ECLI:NL:RVS:2026:690
Datum uitspraak: 10 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 november 2025 in zaak nr. NL25.1366 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 23 december 2025 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij aangetekende brief van 24 december 2025 laten weten dat het griffierecht uiterlijk 7 januari 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant is vervolgens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te laten weten waarom de termijn is overschreden. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026
966