Uitspraak BRS.25.001968 en BRS.25.002145
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:6069
- Datum uitspraak
- 17 december 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001968 en BRS.25.002145
ECLI:NL:RVS:2025:6069
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2], mede voor hun kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2025 in zaak nr. NL25.26740 in het geding tussen:
[de betrokkene 1]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.A. Limonard, advocaat in Joure, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 13 november 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellanten hebben het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
966