Uitspraak 202407513/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5406
- Datum uitspraak
- 11 november 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
202407513/1/V3.
Datum uitspraak: 11 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47012 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N. Birrou, advocaat in Roermond, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overweging in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
3. Betrokkene heeft op de zitting betoogd dat de vrijheidsontnemende maatregel niet is uitgereikt in een taal die hij begrijpt. Uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Vb 2000 volgt voor de minister de plicht om een vreemdeling bij het uitreiken van een afschrift van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 schriftelijk, in een taal die hij verstaat, te informeren over de redenen van de grensdetentie, de rechtsmiddelen die tegen de grensdetentie openstaan en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2024:2979. Uit de vrijheidsontnemende maatregel blijkt dat de minister daartoe aan betrokkene een informatiefolder heeft uitgereikt in de Franse taal. De minister heeft er ter zitting bij de rechtbank op gewezen dat betrokkene redelijk Frans spreekt en dat het nader gehoor ook met een tolk Frans heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft het voorgaande niet bestreden. Anders dan betrokkene heeft betoogd, vergt de informatieplicht niet dat een volledig vertaalde kopie van de vrijheidsontnemende maatregel moet worden verstrekt. De beroepsgrond faalt.
4. Betrokkene heeft op de zitting tot slot betoogd dat de grensdetentie niet nodig is en dat hij naar een open locatie voor opvang gestuurd had moeten worden. Anders dan hij betoogt, heeft de minister terecht gewezen op het grensbewakingsbelang. Betrokkene stelt dat sprake is van willekeur, omdat andere vreemdelingen met de Mauritaanse nationaliteit onder gelijke omstandigheden na aankomst op Schiphol wel naar een open locatie voor opvang zijn gestuurd, maar hij heeft deze stelling niet gestaafd. Verder heeft hij aangevoerd dat hij slecht slaapt en het zwaar vindt in grensdetentie. Voor zover sprake is van medische klachten, heeft de minister er in de vrijheidsontnemende maatregel terecht op gewezen dat er 24 uur per dag medische voorzieningen beschikbaar zijn. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond faalt.
Conclusie
5. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
6.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47012;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025
918