Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.001564 en BRS.25.001577

Uitspraak BRS.25.001564 en BRS.25.001577

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5232
Datum uitspraak
3 november 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.001564 en BRS.25.001577
ECLI:NL:RVS:2025:5232
Datum uitspraak: 3 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 oktober 2025 in zaak nr. NL25.26309 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Sahin, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Ook heefthij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.Appellant klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter zitting achterwege heeft gelaten.

1.1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Awb luidt: "De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht."

1.2.Bij bericht van 23 juni 2025 heeft de rechtbank aan partijen verzocht om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de zaak op zitting willen behandelen. Appellant heeft op 25 juni 2025, tegelijkertijd met het indienen van zijn beroepsgronden, verhinderdata doorgegeven aan de rechtbank. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank hieruit had moeten afleiden dat hij een zitting wenste, omdat verhinderdata enkel in het kader van het plannen van een zitting worden opgegeven. De voorzieningenrechter van de Afdeling is daarom van oordeel dat de handelwijze van de rechtbank in dit geval in strijd is met artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. De grief slaagt.

2.Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 oktober 2025 in zaak nr. NL25.26309;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. wijst het verzoek af;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Veen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025
986


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon