Uitspraak 202505374/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5112
- Datum uitspraak
- 17 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Het beroep is gericht tegen een besluit van 3 oktober 2025, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, voor zover hier van belang, een aanvraag van [appellante] om haar te registreren als kiesgerechtigde voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, heeft afgewezen. [appellante] is ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ingevolge artikel D 8, tweede lid, van de Kieswet kan de voorzitter een kortere termijn stellen, waarbinnen de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Kieswet
Toon inhoud
202505374/1/A2.
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Oranjestad (Aruba),
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 17 oktober 2025 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid
Staatsraad mr. J. Schipper-Spanninga, lid
griffier: mr. R.J.R. Hazen
Verschenen:
het college, vertegenwoordigd door drs. N. Pilk;
de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. M. Mangert.
Het beroep is gericht tegen een besluit van 3 oktober 2025, waarbij het college, voor zover hier van belang, een aanvraag van [appellante] om haar te registreren als kiesgerechtigde voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, heeft afgewezen.
De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Gronden:
[appellante] is ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ingevolge artikel D 8, tweede lid, van de Kieswet kan de voorzitter een kortere termijn stellen, waarbinnen de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden.
[appellante] is bij brief van 10 oktober 2025, diezelfde dag per e-mail verzonden, op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. In die brief is vermeld dat de termijn voor het voldoen van het griffierecht is gesteld op 17 oktober 2025 om 14:00 uur, zijnde het tijdstip van aanvang van de zitting. Het bedrag is niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] in verzuim is geweest.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
452