Uitspraak 202502267/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4821
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, ingewilligd.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202502267/1/V1.
Datum uitspraak: 8 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 april 2025 in zaak nr. NL24.41203 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2024 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 9 december 2024 heeft de rechtbank het verzoek van appellant om een veroordeling van de minister in de proceskosten afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank dat verzet ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op het verzet van appellant (artikel 8:55, zevende lid, van de Awb). Tegen zo’n uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 8:104, tweede lid, van de Awb).
2. Wat appellant in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025
716-1060