Uitspraak BRS.25.000451 en BRS.25.000486
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4635
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000451 en BRS.25.000486
ECLI:NL:RVS:2025:4635
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna samen: betrokkenen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 april 2025 in zaak nr. NL24.25498 in het geding tussen:
betrokkenen
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, hebben tegen deze uitspraak eveneens hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene 1 is geboren op [geboortedatum] 1974 en haar dochter, betrokkene 2, is geboren op [geboortedatum] 1996. Betrokkenen verblijven in Syrië en zijn staatloos. Ze beogen verblijf bij hun zoon en broer (hierna: referent). Op 9 januari 2018 heeft de minister een mvv-aanvraag in het kader van nareis voor betrokkenen ingewilligd. De echtgenoot van betrokkene 1 had die mvv-aanvraag ingediend. Betrokkenen hebben de mvv destijds niet opgehaald. Enige tijd later heeft de echtgenoot van betrokkene 1 een nieuwe mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend, maar hij is in 2019 tijdens de procedure overleden. Op 1 december 2020 heeft referent voorliggende mvv-aanvraag in het kader van artikel 8 van het EVRM ingediend voor betrokkenen. De minister heeft de mvv-aanvraag afgewezen, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen referent en betrokkenen. De minister heeft geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.1.
1.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, maar dat de minister ten onrechte geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat zij in de uitspraak van 22 maart 2024, over het oorspronkelijke besluit op bezwaar in deze procedure, expliciet heeft overwogen dat de minister opnieuw een belangenafweging zal moeten maken. De rechtbank heeft het beroep van betrokkenen daarom gegrond verklaard en het besluit van 23 mei 2024 vernietigd.
Hoger beroep betrokkenen
2. Het hoger beroep van betrokkenen, over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Hoger beroep minister
3. De enige grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister in het besluit van 23 mei 2024 een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM had moeten maken, vanwege haar uitspraak van 22 maart 2024. De minister betoogt dat zij bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet toepassen zoals dat op dat moment geldt, ook als zij een nieuw besluit op bezwaar moet nemen na een vernietiging van het vorige besluit door de rechtbank. Volgens de minister hoeft zij vanwege eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, onder 5.1, geen uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank om een belangenafweging te maken. Uit die uitspraak volgt namelijk dat de minister in het geval dat zij vaststelt, zoals in deze zaak, dat er tussen een vreemdeling en een referent geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat, niet meer een belangenafweging in het kader van die bepaling hoeft te maken.
3.1. De Afdeling merkt in de eerste plaats op dat de minister de mogelijkheid heeft gehad om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024 en dat de Afdeling haar uitspraak van 27 maart 2024 binnen de hogerberoepstermijn van deze procedure heeft gedaan. De minister heeft geen gebruikgemaakt van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van 22 maart 2024. De rechtbank moet in dat geval uitgaan van de juistheid van haar eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen. Dat heet gezag van gewijsde. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4568, onder 4.1.
De minister betoogt echter terecht dat de rechtbank in de uitspraak van 22 maart 2024 geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel heeft gegeven over de rechtsvraag of de minister een belangenafweging moet maken, ook als er geen familie- en gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft alleen geoordeeld dat het oorspronkelijke besluit op bezwaar van de minister motiveringsgebreken bevatte bij de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en bij de gemaakte belangenafweging, waardoor de minister een nieuwe belangenafweging moet maken.
3.2. Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt daarbij geldt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet toepassen zoals dat op dat moment geldt. Dit wordt wel een ex-nuncbeoordeling genoemd. Ex nunc beoordelen in bezwaar houdt in dat het bestuursorgaan de heroverweging in beginsel moet laten plaatsvinden aan de hand van het op het moment van het besluit op bezwaar geldende recht, waaronder de geldende rechtspraak, en de feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Dit uitgangspunt geldt ook in een situatie waarin een bestuursorgaan na vernietiging een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan van dit uitgangspunt afwijken. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2012, onder 2.1, en 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:735, onder 2.1.
3.3. De uitspraak van 27 maart 2024 dateert van na de uitspraak van de rechtbank van 22 maart 2024, waarin de rechtbank de minister onder meer de opdracht heeft gegeven om een belangenafweging te maken. De minister betoogt terecht dat zij vanwege de ex-nuncbeoordeling in bezwaar in beginsel rekening moet houden met een wijziging in de rechtspraak van de Afdeling. De Afdeling oordeelt dat er in dit geval geen sprake is van een zodanig bijzonder geval dat de minister had moeten afwijken van dit uitgangspunt. Daarbij is van belang dat uit wat de Afdeling onder 2 overweegt, volgt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen betrokkenen en referent. De familierelatie tussen betrokkenen en referent valt dus niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM (zie eerdergenoemde uitspraak van 27 maart 2024, onder 5, en de daarin genoemde rechtspraak van het EHRM).
3.4. De minister heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte afgezien van het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroepen
4. Het hoger beroep van betrokkenen is ongegrond. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroepsgrond waarover de Afdeling nog een oordeel moet geven
5. Betrokkenen hebben betoogd dat de minister op grond van artikel 4:84 van de Awb, artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn of artikel 3.6ba van het Vb 2000 had moeten overgaan tot inwilliging van de aanvraag.
5.1. Anders dan betrokkenen betogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkenen geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd die voor de minister aanleiding hadden kunnen vormen om af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag in te willigen. De minister heeft de situatie van betrokkenen terecht niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt.
5.2. Voor zover betrokkenen hebben betoogd dat de minister een individuele eindbeoordeling in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn had moeten maken, slaagt dit betoog niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 6.1), is de minister niet verplicht om een individuele eindbeoordeling in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn te maken als zij alle relevante individuele omstandigheden heeft betrokken in haar beoordeling of familie- en gezinsleven bestaat tussen een vreemdeling en een referent. Dat heeft de minister in dit geval gedaan.
5.3. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van betrokkenen ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 april 2025 in zaak nr. NL24.25498;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025
1028