Uitspraak BRS.25.001162 en BRS.25.001165
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4630
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001162 en BRS.25.001165
ECLI:NL:RVS:2025:4630
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 augustus 2025 in zaak nr. NL24.46020 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Wat appellant in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Daarbij mogen geen nieuwe standpunten worden ingenomen, waarover de rechtbank niet heeft kunnen oordelen. Ook mogen geen beroepsgronden alleen maar worden herhaald. Aan deze eisen heeft appellant niet voldaan. Appellant betoogt in hoger beroep dat hij gevaar loopt in Turkije vanwege bloedwraak, maar de rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom zij het eens is met het standpunt van de minister dat deze problemen niet geloofwaardig zijn. Appellant legt niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is, maar herhaalt vooral dat hij vreest voor bloedwraak. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025
987