Uitspraak 202500515/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4266
- Datum uitspraak
- 4 september 2025
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202500515/1/V1.
Datum uitspraak: 4 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant] mede voor haar minderjarige kind,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.19989 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv-aanvraag) te verlenen.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister voor 30 mei 2025 alsnog een besluit op de mvv-aanvraag bekend maakt en dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Hijma, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft de minister aan appellant ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als gezinslid van [referent].
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van appellant gaat uitsluitend over de duur van de door de rechtbank bepaalde beslistermijn voor het nemen van een besluit op haar mvv-aanvraag in het kader van nareis naar referent.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft appellant bereikt dat zij rechtmatig verblijf heeft als gezinslid bij referent. Daarom heeft zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. De vraag of de minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen.
3. Niettemin moet worden beoordeeld of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als zij aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door haar toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:570, onder 4).
4. Het belang bij beoordeling van het hoger beroep is vervallen doordat de minister aan appellant een verblijfsvergunning heeft verleend. Daarmee is de minister aan appellant tegemoet gekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
5. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de mvv-aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2025
392