Uitspraak BRS.25.001102
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4249
- Datum uitspraak
- 5 september 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001102
ECLI:NL:RVS:2025:4249
Datum uitspraak: 5 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025 in zaak nr. NL25.20750 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de minister opgedragen nader onderzoek te doen naar de vraag of voor betrokkene kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen en naar de gestelde minderjarigheid van betrokkene, en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.J.P. Cats, advocaat in Emmen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800, beantwoord. De overwegingen in die uitspraak zijn hier ook van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarin is bepaald dat de minister nader onderzoek moet doen naar de vraag of voor betrokkene kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen. Omdat de minister in hoger beroep niet heeft bestreden dat het besluit een motiveringsgebrek bevat over de gestelde minderjarigheid van betrokkene, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard en het besluit terecht vernietigd. De minister moet daarom nog een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van betrokkene met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025 in zaak nr. NL25.20750, voor zover zij de minister heeft opgedragen nader onderzoek te doen naar de vraag of voor betrokkene kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025
644-1149