Uitspraak 202500129/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3864
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 23 september 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202500129/1/R4.
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft het college zijn beslissing om op 23 september 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 27 november 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college het besluit van 23 september 2024 (lees: 3 oktober 2024), ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Lith, is verschenen.
Overwegingen
1. In het besluit van 28 mei 2025 staat dat de overtreding, die ten grondslag lag aan de beslissing om spoedeisende bestuursdwang toe te passen, niet aan [appellante] te wijten valt en dat het college daarom het besluit van 3 oktober 2024 intrekt. De Afdeling begrijpt dat hiermee ook het besluit van 27 november 2024 is ingetrokken. Op de zitting heeft het college dit bevestigd.
2. Aangezien het college [appellante] niet langer als overtreder aanmerkt, hoeft zij ook het bedrag van € 199,57, dat bij haar in rekening is gebracht, niet te betalen. Het college heeft op de zitting toegezegd haar dat geld terug te zullen betalen. Volgens het college is de procedure om dat te bewerkstelligen al in gang gezet.
3. Met het besluit van 28 mei 2025 is het college naar het oordeel van de Afdeling geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellante] tegen het besluit van 27 november 2024. Aangezien niet is gebleken van andere belangen, heeft zij daardoor geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 51,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2025
860