Uitspraak BRS.25.000872 en BRS.25.000873
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3718
- Datum uitspraak
- 8 augustus 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000872 en BRS.25.000873
ECLI:NL:RVS:2025:3718
Datum uitspraak: 8 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL24.36865 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Grieven een tot en met vier leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant klaagt in de vijfde grief dat dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gepasseerd zonder daarbij de minister te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het besluit. De rechtbank heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, maar heeft daarbij afgezien van een proceskostenveroordeling. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De vijfde grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten om de minister tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL24.36865, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III. bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV. wijst het verzoek af;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2025
986