Uitspraak 202306915/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3815
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel [appellant] onder meer en voor zover hier nog van belang opgedragen om de uitrit bij [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen van € 5.000,00. Bij besluit van 4 april 2023 heeft het college het tegen deze last onder dwangsom door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering van het besluit van 31 januari 2022. Daarnaast heeft het college [appellant] alsnog opgedragen om de rijbaan van de weg zodanig aan te leggen dat het water op een doelmatige wijze wordt afgevoerd. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen van € 10.000,00.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202306915/1/R2.
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 september 2023 in zaak nr. 23/1658 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2022 heeft het college [appellant] onder meer en voor zover hier nog van belang opgedragen om de uitrit bij [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen van € 5.000,00.
Bij besluit van 4 april 2023 heeft het college het tegen deze last onder dwangsom door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering van het besluit van 31 januari 2022. Daarnaast heeft het college [appellant] alsnog opgedragen om de rijbaan van de weg zodanig aan te leggen dat het water op een doelmatige wijze wordt afgevoerd. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen van € 10.000,00.
Bij uitspraak van 28 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en[partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
- Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
- [appellant] was eigenaar van het Landgoed Nieuwen Huys en heeft het plan ontwikkeld om daar een aantal landhuizen te bouwen. Hij heeft hiervoor vijf bouwkavels verkocht en op de zesde kavel heeft hij een huis gebouwd waarin hij nu zelf woont. Ook is hij nog steeds eigenaar van het binnenterrein waarop een rondweg ligt. De bewoners van de andere huizen hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer de inrichting van de rondweg op het binnenterrein. Deze weg is namelijk een met puin verharde weg en het regenwater wordt daarop niet goed afgevoerd. In het besluit van 4 april 2023 heeft het college daarvoor twee oplossingen aangereikt: 1) de rijbaan wordt zo geprofileerd dat deze hoger ligt dan de aanliggende percelen en de ‘rug’ aan de zijde van de centrale waterberging of 2) er wordt een ‘harde’ weg aangelegd waarover het water vanaf de woonpercelen wordt afgevoerd naar de centrale waterberging.
- De rechtbank heeft in haar uitspraak gemotiveerd geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de met puin verharde rondweg op het binnenterrein niet voldeed aan het vereiste van een doeltreffende afwatering als bedoeld in artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het voor [appellant] voldoende duidelijk is wat het college onder een te realiseren doeltreffende afwatering verstaat. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14 en 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3.1. In hoger beroep heeft [appellant] een meetrapport van Ploegmakers G.G.I. B.V. van 29 augustus 2024 overgelegd om te onderbouwen dat de afwatering bij de rondweg voldoet. [appellant] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het college ten onrechte heeft vastgesteld dat de rondweg op moment van het besluit van 31 januari 2022 niet voldoet aan het vereiste van een doelmatige afwatering. Ten eerste is het meetrapport van tweeëneenhalf jaar later, zodat het niet zonder meer onderbouwt hoe de situatie toen was. Ten tweede wordt in het meetrapport alleen de hoogte van de rondweg zelf gemeten en de richting vermeld waarheen het water stroomt. Dat doet geen afbreuk aan het standpunt van het college dat de afwatering wordt belemmerd door een hoge rand (‘rug’) van de groenvoorziening aan de binnenkant van de rondweg dat de afwatering richting de wadi blokkeert. Op de vele foto’s in het dossier is die rug van de groenvoorziening duidelijk te zien en ook dat grote plassen achter die rug blijven liggen. De Afdeling hecht daarom niet de waarde aan het meetrapport die [appellant] daaraan gehecht zou willen zien.
- Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2025
638