Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202401123/1/V2. Datum uitspraak:

Uitspraak 202401123/1/V2. Datum uitspraak:

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:3657
Datum uitspraak
4 augustus 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202401123/1/V2.
Datum uitspraak: 4 augustus 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2024 in zaak nr. NL23.24829 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 14 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Görsültürk, advocaat in Oss, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       Betrokkene komt uit Turkije. Hij is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. Om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ondertekend. Omdat de minister ervan uitging dat het recht op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 zou eindigen, is zij in de loop van 2023 gestart met de behandeling van die asielaanvraag. In dat kader heeft zij aan betrokkene een vragenformulier gestuurd met daarin onder meer de vraag of hij zijn asielprocedure wil doorzetten. Nadat een antwoord, na herhaaldelijk vragen, uitbleef, heeft de minister de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

2.       De Afdeling heeft bij uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1999, geoordeeld dat de minister asielaanvragen van derdelanders met tijdelijke bescherming niet buiten behandeling mocht stellen, alleen omdat zij niet hebben geantwoord op het vragenformulier over het doorzetten van hun asielaanvraag (onder 7.2 en 7.3). De Afdeling heeft overwogen dat de verplichte vragen in het vragenformulier geen verzoeken om informatie zijn over elementen ter staving van de asielaanvraag in de zin van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000. Deze bepaling staat daarom in de weg aan het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister de asielaanvraag van betrokkene niet buiten behandeling mocht stellen. De enige grief van de minister slaagt niet.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.

w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Veen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2025

986


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon