Uitspraak BRS.24.000460 en BRS.24.000461
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3039
- Datum uitspraak
- 8 juli 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 1 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.24.000460 en BRS.24.000461
ECLI:NL:RVS:2025:3039
Datum uitspraak: 8 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
[appellant 1] en [ appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 in zaken nrs. NL24.43997 (appellant 2) en NL24.43998 (appellant 1) in de gedingen tussen:
[appellanten]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 1 november 2024 heeft de minister appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraken van 28 november 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht, hoger beroepen ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke uiteenzettingen gegeven en nadere stukken ingediend. Appellanten hebben daarop gereageerd.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank en grief 1 (gelijk in beide zaken)
1. Appellanten komen in grief 1 op tegen het oordeel van de rechtbank dat van de juistheid van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel (hierna: processen-verbaal) kan worden uitgegaan. Zij voeren daarbij onder andere aan dat de weergaven daarin van hun verklaringen over de vraag of de minister met een lichter middel had moeten volstaan, specifiek, identiek en onvolledig zijn, en daarom niet juist kunnen zijn. Dit brengt volgens hen mee dat de vrijheidsontnemende maatregelen gebrekkig gemotiveerd zijn en daarom onrechtmatig.
De inhoud van de processen-verbaal
1.1. In de processen-verbaal staat dat beide appellanten op de vraag of er omstandigheden zijn die grensdetentie in hun geval niet mogelijk maken, het volgende hebben geantwoord:
"Dat is voor mij geen probleem. Ik zal de procedure gewoon afwachten hier."
Verder staat daarin dat beide appellanten op de vraag of er bijzondere medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden, het volgende hebben geantwoord:
"Nee, die zijn er niet. Ik heb wel last van een oude botbreuk. Maar als u zegt dat."
1.2. De Afdeling heeft de minister in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom de onder 1.1 weergegeven verklaringen in beide processen-verbaal identiek zijn. De minister heeft als reactie een aanvullend proces-verbaal toegestuurd. Daarin staat dat de verbalisant de weergegeven verklaringen direct heeft overgenomen uit de notities van de ambtenaar die appellanten heeft gehoord, zonder te kijken of de verklaringen van beide appellanten overeenkwamen.
Beoordeling
1.3. Appellanten betogen terecht dat de rechtbank niet kon uitgaan van de juistheid van de processen-verbaal en daarom had moeten oordelen dat de vrijheidsontnemende maatregelen vanaf het begin onrechtmatig waren. De Afdeling acht het namelijk zo onwaarschijnlijk dat beide appellanten in precies dezelfde bewoordingen de onder 1.1 weergegeven verklaringen hebben gegeven, dat zij van oordeel is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister beide vrijheidsontnemende maatregelen onzorgvuldig heeft voorbereid, in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Daarvoor is van belang dat de minister in beide vrijheidsontnemende maatregelen heeft aangekruist dat appellanten geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is, terwijl zij geen overtuigende verklaring heeft weten te geven voor de identieke verklaringen van appellanten, zoals weergegeven in de processen-verbaal.
1.4. De grief van beide appellanten slaagt.
Conclusie
2. Gelet op het voorgaande zijn beide maatregelen vanaf het begin onrechtmatig. Daarom is het niet nodig wat appellanten verder hebben aangevoerd te bespreken en bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. De hoger beroepen zijn gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraken van de rechtbank. De beroepen zijn gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregelen al zijn opgeheven, zijn bevelen tot opheffing niet nodig. Appellanten hebben wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellanten toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 in zaken nrs. NL24.43997 en NL24.43998;
III. verklaart de beroepen gegrond;
IV. kent aan appellant 1 een vergoeding toe van € 12.700,00 over de periode van 1 november 2024 tot en met 7 maart 2025 en aan appellant 2 een vergoeding van € 11.700,00 over de periode van 1 november 2024 tot en met 25 februari 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2025
1020-