Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202206488/1/A3

Uitspraak 202206488/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2444
Datum uitspraak
28 mei 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het verzoek van [appellant] om correctie van zijn adresgegevens in de Basisregistratie personen afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 27 september 1996 [appellant] ambtshalve uitgeschreven uit de brp en zijn adresgegevens gewijzigd van "[locatie]" in "onbekend". Op 8 januari 1998 is [appellant] weer ingeschreven op het adres [locatie]. [appellant] heeft op 19 april 2019 het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verzocht om zijn adresgegevens in de periode van 27 september 1996 tot en met 8 januari 1998 te wijzigen van "onbekend" naar "[locatie]". Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft dit verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat [appellant] in die periode op dat adres heeft gewoond.
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202206488/1/A3.
Datum uitspraak: 28 mei 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2022 in zaak nr. 20/464 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college het verzoek van [appellant] om correctie van zijn adresgegevens in de Basisregistratie personen (hierna: brp) afgewezen.

Bij besluit van 20 december 2019 heeft college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.R.G. Keijzer, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S de Ruijter, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het college heeft op 27 september 1996 [appellant] ambtshalve uitgeschreven uit de brp en zijn adresgegevens gewijzigd van "[locatie]" in "onbekend". Op 8 januari 1998 is [appellant] weer ingeschreven op het adres [locatie]. [appellant] heeft op 19 april 2019 het college verzocht om zijn adresgegevens in de periode van 27 september 1996 tot en met 8 januari 1998 te wijzigen van "onbekend" naar "[locatie]". Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat niet is gebleken dat [appellant] in die periode op dat adres heeft gewoond.

2.       De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat het [appellant] geen stukken heeft overgelegd, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat hij in de bewuste periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de [locatie].

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die periode daar zijn hoofdverblijf heeft gehad.

3.1.    Ingevolge artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (PbEU 2016, L 119) heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen.

Artikel 2:58 van de Wet basisregistratie personen luidt:

"1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening […] bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling."

3.2.    Voor het wijzigen van in de brp geregistreerde gegevens moet buiten redelijke twijfel zijn dat de nieuwe gegevens juist zijn. Zie de uitspraken van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, en 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1056.

3.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op basis van de door [appellant] overgelegde stukken niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [appellant] in de bewuste periode hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het adres [locatie]. De Afdeling sluit zich aan bij overweging 7 van de uitspraak van de rechtbank, waarin dat oordeel wordt gemotiveerd, en verwijst daarnaar. Zij voegt daaraan toe dat uit gegevens uit de brp die het college in hoger beroep heeft overgelegd, blijkt dat in de bewuste periode [appellant] niet, maar meerdere andere personen wel, stonden ingeschreven op dat adres, terwijl de betreffende de woning qua grootte ongeschikt was voor bewoning door meerdere huishoudens. Ook die gegevens ondersteunen derhalve het oordeel van de rechtbank dat er gerede twijfel kan bestaan over het in de bewuste periode verblijven van [appellant] in de woning.

Het betoog faalt.

4.       Aangezien het college het verzoek alleen al heeft mogen afwijzen omdat het niet buiten redelijke twijfel is dat [appellant] in de bewuste periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de [locatie], behoeft wat [appellant] heeft aangevoerd over de overwegingen van de rechtbank over de formele rechtskracht van het besluit tot uitschrijving, geen bespreking.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Maesen de Sombreff
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025

190-1147


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon