Uitspraak BRS.25.000161 en BRS.25.000162
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1894
- Datum uitspraak
- 30 april 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 6 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van appellanten om hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000161 en BRS.25.000162
ECLI:NL:RVS:2025:1894
Datum uitspraak: 30 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op de hoger beroepen van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 februari 2025 in zaken nrs. NL23.31873 en NL23.31877 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 6 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van appellanten om hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat in Papendrecht, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Bij brief van 21 maart 2025 heeft de minister laten weten dat zij de besluiten van 6 oktober 2023 heeft ingetrokken, omdat de Bulgaarse autoriteiten bij brief van 5 maart 2025 hebben laten weten de overdracht van appellanten te weigeren. De Bulgaarse autoriteiten hebben geweigerd, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn geworden in verband met het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, B, F en K, ECLI:EU:C:2023:4.
2. Door de intrekking van de besluiten van 6 oktober 2023 hebben appellanten in dit geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten. De besluiten gelden namelijk al niet meer. Appellanten hebben daarom geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
3. De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat met de intrekking van de besluiten van 6 oktober 2023 geen sprake is van een tegemoetkoming.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk;
II. wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025
346-1058