Uitspraak 202403566/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1783
- Datum uitspraak
- 14 april 2025
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 29 april 2024 van de rechtbank Gelderland, waarbij de rechtbank het beroep van de stichting tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 22 november 2022 ongegrond heeft verklaard. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 15 juli 2022 tot afwijzing van haar aanvraag om subsidie ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Subsidie
Toon inhoud
202403566/1/A2.
Datum uitspraak: 14 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
Stichting Derde Wal, gevestigd in Nijmegen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 april 2024 in zaak nr. 23/1 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
Openbare zitting gehouden op 14 april 2025 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. J.M.W. Beers
Verschenen:
Stichting Derde Wal (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mr. V.W.J.H. Kobossen, advocaat in Nijmegen;
het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.F. Widdershoven en mr. W.P.J. Vos.
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 29 april 2024 van de rechtbank Gelderland, waarbij de rechtbank het beroep van de stichting tegen het besluit van het college van 22 november 2022 ongegrond heeft verklaard. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 15 juli 2022 tot afwijzing van haar aanvraag om subsidie ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die de stichting in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft zij ook in beroep aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling is het hiermee eens en ziet geen aanleiding om anders te oordelen. Zij voegt hier nog het volgende aan toe.
De hoorplicht in bezwaar is niet geschonden omdat de stichting, hoewel daartoe twee keer door het college uitgenodigd, niet is verschenen op de hoorzitting. Daarmee heeft de stichting geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om te worden gehoord. Overigens heeft de stichting in de maand tussen de laatste uitnodiging en het nemen van het besluit op bezwaar ook niet alsnog kenbaar gemaakt of erop aangedrongen gehoord te willen worden.
Voor zover de stichting heeft gesteld dat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek heeft, heeft zij op geen enkele wijze concreet onderbouwd waarom de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Ook heeft zij zelfs geen begin van een concrete onderbouwing gegeven waarom de overweging van de rechtbank op dit punt onjuist is.
Tot slot overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht geen proceskosten aan de stichting heeft vergoed. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit is dan ook niet vernietigd. Daarom heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om proceskosten toe te kennen. De Afdeling ziet ook geen reden voor een uitzondering in het ontbreken van de subsidieaanvraag in het dossier in beroep, waardoor een tweede zitting moest worden gehouden. De stichting heeft de subsidieaanvraag zelf bij het college ingediend en dit stuk moet dus als bekend worden verondersteld bij de stichting.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
705-972