Uitspraak BRS.25.000316 en BRS.25.000317
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1636
- Datum uitspraak
- 16 april 2025
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000316 en BRS.25.000317
ECLI:NL:RVS:2025:1636
Datum uitspraak: 16 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in zaak nr. NL24.44939 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant draagt een deel van zijn klachten in hoger beroep terecht voor. Hij voert terecht aan dat de rechtbank zijn verklaringen over wie in Pakistan naar hem zoekt onjuist heeft weergegeven en dat hij daarover niet wisselend heeft verklaard. Ook voert hij terecht aan dat het feit dat hij na zijn vertrek uit Pakistan geen problemen heeft ondervonden, op zichzelf geen informatie geeft over de geloofwaardigheid van de door hem gestelde problemen voordat hij Pakistan verliet en de problemen die hij vreest bij terugkeer naar Pakistan. Daarbij heeft appellant er ook terecht op gewezen dat een beschuldiging van blasfemie niet verjaart. Verder voert appellant terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over een fatwa niet belangrijk is of hij ten tijde van het uitbrengen van deze fatwa in Pakistan verbleef, omdat een fatwa niet zijn aanwezigheid in Pakistan vereist. Niettemin kunnen de desbetreffende grieven niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden, omdat zij terecht heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant ongeloofwaardig heeft verklaard over de door hem gestelde problemen met de Tehreek-e-Labbaik Pakistan (hierna: TLP). De rechtbank heeft dat oordeel namelijk terecht gebaseerd op de verder door de minister in haar besluitvorming gegeven motivering. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat de minister niet ten onrechte aan appellant heeft tegengeworpen dat hij niet afdoende heeft uitgelegd waarom hij denkt dat de TLP nog naar hem zoekt na het verkrijgen van het door hen beoogde stuk land, waarom de TLP zijn moeder en vrouw niet hebben benaderd om zijn verblijfplaats te achterhalen en waarom hij heeft verklaard over de TLP in plaats van over de ten tijde van de gestelde problemen bestaande voorganger van de TLP, met de naam Tehreek-e-Labbaik Ya Rasul Allah.
2. Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025
958