Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202501098/1/V1

Uitspraak 202501098/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1651
Datum uitspraak
14 april 2025
Inhoudsindicatie
Bij brief van 21 februari 2025 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de uitspraak van 20 februari 2025 te herzien.
  • Herziening
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202501098/1/V1.
Datum uitspraak: 14 april 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2025 in zaak nr. 202406683/1/V1, ECLI:NL:RVS:2025:671.

Procesverloop

Bij brief van 21 februari 2025 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de uitspraak van 20 februari 2025 te herzien.

Overwegingen

1.       Bij de uitspraak van 20 februari 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. De minister van Asiel en Migratie heeft bij brief van 9 januari 2025 aan de Afdeling gemeld dat verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van verzoeker, daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Afdeling daarop niet laten weten dat hij nog contact met verzoeker heeft. De Afdeling heeft daaruit afgeleid dat verzoeker niet langer bescherming in Nederland zoekt en dat hij daarom geen belang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.       Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."

3.       Verzoeker wil herziening van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep. Hij stelt dat zijn gemachtigde de Afdeling op 21 januari 2025 per upload en post heeft bericht dat de gemachtigde nog bijna dagelijks contact met verzoeker heeft, dat verzoeker nog in Nederland verblijft en dat hij zijn hogerberoepsprocedure wil voortzetten.

4.       De Afdeling heeft vastgesteld dat het bericht van 21 januari 2025 haar niet heeft bereikt. De Afdeling heeft verzoeker daarom gevraagd om de bevestiging op te sturen, waaruit blijkt dat dit bericht per post en/of upload aan de Afdeling is verzonden. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd en ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat zijn gemachtigde dit bericht daadwerkelijk heeft verstuurd.

5.       Er is alleen grond voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, indien zich feiten of omstandigheden voordoen die elk voldoen aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb genoemde cumulatieve vereisten. Dat is hier niet het geval, zodat er geen mogelijkheid is voor herziening. Het in het bericht van 21 januari 2025 vermelde contact tussen verzoeker en de gemachtigde voldoet aan de onder a en c genoemde vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, maar niet aan het vereiste onder b. Verzoeker was zelf met dit feit al vóór de uitspraak van 20 februari 2025 bekend.

6.       Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hanrath
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025

392


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon