Uitspraak BRS.25.000243 en BRS.25.000244
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1250
- Datum uitspraak
- 27 maart 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000243 en BRS.25.000244
ECLI:NL:RVS:2025:1250
Datum uitspraak: 27 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 februari 2025 in zaak nr. NL24.50342 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.H. Hekman, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de ervaringen van de vreemdeling in Polen betrokken moeten worden in de beoordeling van het al dan niet toepassen van artikel 17 van de Dublinverordening en dat, omdat de minister dit heeft nagelaten, er sprake is van een motiveringsgebrek.
1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7-7.5, mag de minister bij de motivering waarom eerdere ervaringen in de andere lidstaat niet maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, verwijzen naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de rechtbank heeft de minister de ervaringen van de vreemdeling in Polen betrokken bij de beoordeling of er voor Polen uit mag worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het besluit over het al dan niet toepassen van artikel 17 van de Dublinverordening niet deugdelijk gemotiveerd heeft.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter van de Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
2.1. De vreemdeling betoogt dat hij last heeft van psychische klachten die zullen verergeren als hij moet terugkeren naar Polen, waardoor de overdracht van onevenredige hardheid zal getuigen. De minister heeft daarom niet deugdelijk gemotiveerd waarom er niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening wordt afgezien van overdracht aan Polen.
2.2. Dit betoog faalt. Uit het in beroep overgelegde huisartsenjournaal blijkt niet dat sprake is van psychische klachten bij de vreemdeling die bij overdracht aan Polen zullen verergeren. Bovendien heeft de minister de medische klachten betrokken bij zijn beoordeling van de vraag of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en zich hierover op het standpunt gesteld dat in Polen dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden aanwezig zijn als in Nederland. De minister heeft in de klachten redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen.
3.Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 februari 2025 in zaak nr. NL24.50342;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025
846-1058