Uitspraak 202402942/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:849
- Datum uitspraak
- 5 maart 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 18 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen [appellant] meegedeeld dat hij nog € 251,00 moet terugbetalen en hem een voorstel voor een betalingsregeling gedaan. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Dienst Toeslagen bij besluit van 13 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Geld
Toon inhoud
202402942/1/A2.
Datum uitspraak: 5 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2024 in zaak nr. 22/2431 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (nu en hierna: de Dienst Toeslagen).
Openbare zitting gehouden op 17 februari 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Bij brief van 18 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen [appellant] meegedeeld dat hij nog € 251,00 moet terugbetalen en hem een voorstel voor een betalingsregeling gedaan. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Dienst Toeslagen bij besluit van 13 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 mei 2022 ongegrond is verklaard.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1. Bij besluit van 21 november 2017 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot zorgtoeslag voor [appellant] over het jaar 2017 vastgesteld op € 1.066,00. Bij besluit van 29 december 2017 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot herzien en vastgesteld op € 355,00. Bij besluit van 21 december 2017 heeft de dienst het door [appellant] te veel ontvangen voorschot, te weten € 711,00, van hem teruggevorderd.
2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Dienst Toeslagen in de brief van 18 april 2022 slechts heeft vastgesteld dat [appellant] het teruggevorderde bedrag nog niet volledig heeft terugbetaald. De brief brengt geen verandering in de al bestaande verplichting van [appellant] om het te veel ontvangen voorschot zorgtoeslag terug te betalen. De brief van 18 april 2022 is dus niet op rechtsgevolg gericht. Dat betekent dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de Dienst Toeslagen het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. [appellant] voert verder aan dat de behandelingstermijn van de procedure onredelijk is. De Afdeling begrijpt dit als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de redelijke termijn in beginsel overschreden als in een zaak als deze, met een bezwaar, beroep en hoger beroep, de totale procedure meer dan vier jaar heeft geduurd (zie onder meer de uitspraak van 29 januari 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:188)). In het geval van [appellant] is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot verlenging of verkorting van deze termijn.
3.2. De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 20 april 2022 en geëindigd met deze uitspraak van de Afdeling. Dit betekent dat de procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is niet overschreden.
4. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033