Uitspraak 202400245/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:795
- Datum uitspraak
- 28 februari 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202400245/1/V3.
Datum uitspraak: 28 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024 in zaak nr. NL23.34156 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. De vreemdeling heeft de Turkse nationaliteit. Hij is in 2016 vanuit Ghana naar Colombia vertrokken, waar hij in 2019 in het bezit is gesteld van een asielvergunning, een paspoort en een zogenoemd Travel Document. Op 20 oktober 2020 heeft hij asiel gevraagd in Nederland. Die asielaanvraag is door de minister niet-ontvankelijk verklaard, omdat Colombia voor de vreemdeling een veilig derde land is en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet meer zullen toelaten. Bij uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1882, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. Hierna heeft de vreemdeling op 18 september 2021 een nieuwe asielaanvraag ingediend, die door de minister op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk is verklaard, omdat Colombia voor de vreemdeling een veilig derde land is.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister heeft mogen concluderen dat de vreemdeling een band heeft met Colombia en opnieuw tot Colombia zal worden toegelaten, maar dat de minister in het besluit van 23 oktober 2023 onvoldoende heeft onderbouwd waarom Colombia voor de vreemdeling als veilig derde land kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, gelet op het IB 2023/3, aanknopingspunten dat de vreemdeling geen effectieve toegang zal hebben tot het asielsysteem in Colombia en heeft de minister om die reden onvoldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een reëel risico op refoulement.
Het hoger beroep van de minister
3. De minister betoogt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, gelet op het IB 2023/3, in het besluit van 23 oktober 2023 onvoldoende heeft onderbouwd waarom Colombia voor de vreemdeling als veilig derde land aangemerkt kan worden.
4. De Afdeling heeft de situatie van de vreemdeling eerder beoordeeld in de hiervoor vermelde uitspraak van 25 augustus 2021. Onder 4.1 van die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister voldoende heeft onderzocht of Colombia voor de vreemdeling een veilig derde land is en dat ervan uit mag worden gegaan dat Colombia zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag naleeft. Er is inmiddels vanaf 13 januari 2023 een nieuw informatiebericht, het IB 2023/3. De conclusie van het IB 2023/3 is dat Colombia in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als een veilig derde land, wegens de combinatie van een zwak asielsysteem en het feit dat de rechten van asielzoekers en erkende vluchtelingen in de praktijk onvoldoende gewaarborgd kunnen worden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, vormt dat naar het oordeel van de Afdeling geen aanknopingspunt dat in het specifieke geval van de vreemdeling de situatie in Colombia wezenlijk anders is dan ten tijde van de uitspraak van 25 augustus 2021 en het toen geldende IB 2020/26, dat wat betreft de conclusie gelijkluidend is aan het IB 2023/3. De minister betoogt terecht dat de rechtbank te zeer de algemene beoordeling van de situatie in Colombia, zoals die volgt uit het IB 2023/3, als uitgangspunt heeft genomen bij de toegang van de vreemdeling tot het asielsysteem in Colombia en daarbij diens individuele situatie onvoldoende heeft betrokken. De minister wijst er terecht op dat de vreemdeling eerder zonder problemen en relatief snel een asielstatus heeft gekregen in Colombia en dat hij ook daarna als Turkse Gülenist daar geen problemen heeft ondervonden. Met de minister acht de Afdeling van belang dat de vreemdeling zelf, onverplicht en op eigen initiatief hangende de vorige asielprocedure in Nederland, de Colombiaanse autoriteiten op 19 januari 2021 heeft verzocht om zijn asielvergunning in te trekken, wat op 5 augustus 2021 is gehonoreerd. De minister wijst er verder terecht op dat, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inspanningen heeft verricht om daadwerkelijk toegang tot Colombia te krijgen. Niet is toegelicht waarom de vreemdeling zijn asielstatus in Colombia niet opnieuw zou kunnen verkrijgen.
Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom Colombia voor de vreemdeling als veilig derde land aangemerkt kan worden. De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
5. Het incidenteel hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Hij merkt, integendeel, op dat hij zich volledig met die uitspraak kan verenigen. De eerste twee grieven van de vreemdeling zijn alleen gericht tegen de grief en de toelichting daarop van de minister. Daarmee hebben deze het karakter van een schriftelijke uiteenzetting in het hoger beroep van de minister. De derde grief is wel gericht tegen twee overwegingen van de rechtbank, maar deze grief is alleen toegelicht met een verwijzing naar de beroepsgronden. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het incidenteel hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
6. Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Beoordeling van het beroep
7. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
8. De vreemdeling betoogt in beroep tevergeefs dat er geen terugkeerbesluit kan worden genomen en geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd, omdat hij in Colombia persoonlijke problemen heeft ondervonden en de Colombiaanse autoriteiten hem geen bescherming willen en kunnen bieden. Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, kan Colombia voor de vreemdeling als veilig derde land worden aangemerkt. De vreemdeling heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat Colombia zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal naleven. Ook betoogt hij ten onrechte dat de minister niet is ingegaan op wat hij in de zienswijze over het nemen van het terugkeerbesluit heeft aangevoerd, omdat de minister daar wel op in is gegaan. Gelet op wat de vreemdeling daarin had aangevoerd en in beroep heeft herhaald, is de motivering van de minister in het besluit van 23 oktober 2023 in dat opzicht deugdelijk. Verder leidt de verwijzing van de vreemdeling naar wat de rechtbank in de uitspraak van 6 januari 2021 onder 4.2 tot en met 6 heeft overwogen niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraak bij de al eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021 is vernietigd.
9. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024 in zaak nr. NL23.34156;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2025
18-1058