Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405357/3/V1

Uitspraak 202405357/3/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:5022
Datum uitspraak
5 december 2024
Inhoudsindicatie
Bij uitspraak van 30 juli 2024 in zaak nr. NL22.22949 heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit neemt op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405357/3/V1.
Datum uitspraak: 5 december 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kleinkinderen,
eiseres,

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij uitspraak van 30 juli 2024 in zaak nr. NL22.22949 heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit neemt op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, advocaat in Amsterdam, heeft bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister.

Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de minister het tegen het besluit van 10 februari 2022 tot afwijzing van de aanvraag gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Overwegingen

1.       De vreemdeling heeft op 14 oktober 2024 bij de Afdeling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op het door haar gemaakte bezwaar binnen de door de rechtbank gestelde termijn. De Afdeling beslist, los van het hoger beroep, nu op dit beroep.

2.       Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk. De vreemdeling heeft namelijk geen belang meer bij de beoordeling van dat beroep, omdat de minister op 22 oktober 2024 alsnog een besluit heeft genomen.

3.       Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 2, moet de minister, als hij tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsnog zo’n besluit neemt, krachtens artikel 8:75 van de Awb proceskosten vergoeden in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De Afdeling stelt die vergoeding vast op een punt voor het beroepschrift wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar met toepassing van wegingsfactor 0,5.

4.       Het beroep is niet-ontvankelijk. Het op grond van artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb van rechtswege gegenereerde beroep tegen het besluit van 22 oktober 2024 en de in dat verband door de vreemdeling ingediende beroepsgronden van 11 november 2024 zal de Afdeling bespreken in het kader van het hoger beroep van de minister in zaak nr. 202405357/1/V1. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schuurman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024

282-1060


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon