Uitspraak 202204526/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:4646
- Datum uitspraak
- 12 november 2024
- Inhoudsindicatie
- Het gaat in dit geding over twee punten: de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om proceskosten die [appellante] in bezwaar heeft gemaakt te vergoeden, en het verzoek van [appellante] om schadevergoeding omdat de gehele procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep te lang heeft geduurd (overschrijding van de redelijke termijn). Over de proceskosten die [appellante] in bezwaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college die alleen hoefde te vergoeden als hij het besluit waartegen bezwaar is gemaakt had herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. Dat volgt uit artikel 7:15 van de Awb. Het college heeft het besluit waarin de vergunning is geweigerd, herroepen omdat [appellante] een aangepaste bouwtekening had ingediend. En niet omdat het college tot de conclusie kwam dat het eerdere weigeringsbesluit onrechtmatig was.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202204526/1/R3.
Datum uitspraak: 12 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2022 in zaak nr. 20/4577 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Openbare zitting gehouden op 12 november 2024 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
voorzitter: mr. D.A. Verburg
griffier: mr. J.N. Witsen
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J. van Putten en J. van der Velden, rechtsbijstandverleners in Zoetermeer;
Het college, vertegenwoordigd door mr. V. Boender-Wiebenga.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 juni 2022 van de rechtbank Den Haag.
De Afdeling
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Gronden:
Het gaat in dit geding over twee punten: de weigering van het college om proceskosten die [appellante] in bezwaar heeft gemaakt te vergoeden, en het verzoek van [appellante] om schadevergoeding omdat de gehele procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep te lang heeft geduurd (overschrijding van de redelijke termijn).
Over de proceskosten die [appellante] in bezwaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college die alleen hoefde te vergoeden als hij het besluit waartegen bezwaar is gemaakt had herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. Dat volgt uit artikel 7:15 van de Awb. Het college heeft het besluit waarin de vergunning is geweigerd, herroepen omdat [appellante] een aangepaste bouwtekening had ingediend. En niet omdat het college tot de conclusie kwam dat het eerdere weigeringsbesluit onrechtmatig was. Tijdens de hoorzitting van 24 september 2020 heeft [appellante] ermee ingestemd dat verder zou worden gegaan met een inhoudelijk traject "en dat er in dat geval niet de procedurele kant op zal worden gegaan." Alleen al daarom hoefde het college niet nog eens apart te beoordelen of hij het weigeringsbesluit ook zou hebben moeten herroepen als [appellante] geen gewijzigde bouwtekening had ingediend, maar dan vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. De uitspraak van de rechtbank klopt dus.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Daarbij telt alleen de duur vanaf het indienen van het bezwaarschrift. De Afdeling heeft al eerder geoordeeld dat die veronderstelde spanning en frustratie anders ligt als de appellant in de procedure al een tegemoetkomend besluit heeft ontvangen (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2206). Die situatie doet zich hier voor. [appellante] heeft destijds bezwaar gemaakt met als doel om alsnog een omgevingsvergunning voor de uitbouw van haar woning te krijgen, en het college heeft die vergunning alsnog verleend, eind 2020. Vanaf dat moment kon geen immateriële schade voor [appellante] in de vorm van spanning en frustratie meer worden aangenomen. Er is dus geen reden voor toekenning van schadevergoeding.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
727