Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202305590/1/A3

Uitspraak 202305590/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4567
Datum uitspraak
30 oktober 2024
Inhoudsindicatie
Het geschil gaat over een inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming dat [appellante] op 30 juli 2018 heeft gedaan. Op 25 september 2018 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Hierdoor is een termijn van 14 dagen ingegaan om te beslissen zonder een dwangsom te verbeuren. Het college heeft bij besluit van 26 september 2018, dus binnen deze termijn, het verzoek buiten behandeling gesteld. De centrale vraag in dit geschil is of [appellante] dit besluit heeft ontvangen. Als [appellante] dit besluit niet heeft ontvangen, dan is het besluit niet juist bekendgemaakt en heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland dwangsommen verbeurd wegens het niet tijdig beslissen, zo is tussen partijen niet in geschil.
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Persoonsgegevens

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202305590/1/A3.
Datum uitspraak: 30 oktober 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellante], zonder vaste woon- of verblijfplaats,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2023 in zaak nr. 19/2442 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

Openbare zitting gehouden op 30 oktober 2024 om 12:15 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
Griffiers: mr. Y. Soffner, mr. S. Langeveld-Mak, mr. K. Carvalho

Verschenen:
[appellante], bijgestaan door mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat te Heemskerk, vergezeld door [persoon].

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 juni 2023 van de rechtbank Den Haag, waarin de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 3 januari 2019 ongegrond heeft verklaard.

Beslissing

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

Het geschil gaat over een inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) dat [appellante] op 30 juli 2018 heeft gedaan. Op 25 september 2018 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Hierdoor is een termijn van 14 dagen ingegaan om te beslissen zonder een dwangsom te verbeuren. Het college heeft bij besluit van 26 september 2018, dus binnen deze termijn, het verzoek buiten behandeling gesteld. De centrale vraag in dit geschil is of [appellante] dit besluit heeft ontvangen. Als [appellante] dit besluit niet heeft ontvangen, dan is het besluit niet juist bekendgemaakt en heeft het college dwangsommen verbeurd wegens het niet tijdig beslissen, zo is tussen partijen niet in geschil.

De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] de ontvangst van het besluit tot buitenbehandelingstelling niet heeft betwist. [appellante] betoogt in hoger beroep dat zij het besluit niet heeft ontvangen, dat het aan het college is om de verzending aan te tonen, en dat nu het college daarin niet is geslaagd het college daarom dwangsommen heeft verbeurd.

De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit door [appellante] is ontvangen. De Afdeling stelt om te beginnen vast dat de ontvangst van het besluit op geen enkel eerder moment van de rechtsgang is betwist. Dat gebeurt voor het eerst in hoger beroep. Tijdens de zitting zijn stukken besproken waaruit blijkt dat het besluit tot buitenbehandelingstelling wel degelijk door [appellante] is ontvangen. Deze stukken zijn de derde ingebrekestelling van 6 december 2018, van de toenmalige advocaat van [appellante], waaruit blijkt dat hij het besluit van 26 september 2018 heeft ontvangen, de zittingsaantekeningen van de zitting bij de rechtbank, waaruit volgt dat over het besluit van 26 september 2018 op zodanige wijze is gesproken dat niet valt te betwijfelen dat het was ontvangen, en de pleitnota van de gemachtigde van [appellante] in beroep, waarin aan dit besluit wordt gerefereerd zonder de ontvangst ervan te weerspreken.

Tegen deze achtergrond volstaat de enkele stelling van [appellante] in hoger beroep dat zij het besluit tot buitenbehandelingstelling toch niet heeft ontvangen, niet. Het betoog ter zitting bij de Afdeling dat haar advocaat dan weliswaar het besluit heeft ontvangen, maar zij zelf persoonlijk niet, slaagt niet, omdat het besluit aan haar gemachtigde mocht worden verzonden en ontvangst door de gemachtigde geldt als ontvangst door [appellante]. Tijdens de zitting heeft [appellante] ook nog betoogd dat hiermee niets is gezegd over de datum van ontvangst van het besluit. Dit is echter een betoog van een andere orde dan de betwisting van de ontvangst zelf. Dit argument had [appellante] dan beter moeten onderbouwen, bijvoorbeeld door te verduidelijken wanneer het besluit dan wel is ontvangen en met welke gevolgen voor de verbeurte van dwangsommen, maar dat heeft zij nagelaten.

Nu het aannemelijk is dat [appellante] het besluit tot buitenbehandelingstelling heeft ontvangen, is de discussie of het college een verzendadministratie heeft waaruit blijkt dat en wanneer het besluit tot buitenbehandelingstelling is verstuurd, niet relevant. Het college heeft binnen de termijn van de ingebrekestelling een besluit genomen op haar

AVG-verzoek. Daarmee heeft het college geen dwangsommen verbeurd.

Het hoger beroep is ongegrond.

Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Soffner
griffier

818-1121


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon