Uitspraak 202402886/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:4549
- Datum uitspraak
- 12 november 2024
- Inhoudsindicatie
- De minister van Buitenlandse Zaken heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard omdat de minister zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. [wederpartij] heeft de minister verzocht om inzage in de verwerking van op hem betrekking hebbende gegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. [wederpartij] wil weten welke persoonsgegevens van hem zijn verwerkt in de stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van een in zijn verblijfsprocedure uitgebracht individueel ambtsbericht. De minister heeft een overzicht verstrekt maar heeft de identiteit van de vertrouwenspersoon niet kenbaar willen maken.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
202402886/2/A3.
Datum beslissing: 12 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2024 in zaak nr. 22/2342 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
de minister.
Procesverloop
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard omdat de minister zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
De minister heeft de vertrouwelijke versies van twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het gaat om een memo en een onderzoeksverslag.
[wederpartij] heeft gereageerd op het verzoek van de minister.
Overwegingen
1. [wederpartij] heeft de minister verzocht, voor zover nu nog van belang, om inzage in de verwerking van op hem betrekking hebbende gegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. [wederpartij] wil weten welke persoonsgegevens van hem zijn verwerkt in de stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van een in zijn verblijfsprocedure uitgebracht individueel ambtsbericht. De minister heeft een overzicht verstrekt maar heeft de identiteit van de vertrouwenspersoon niet kenbaar willen maken.
2. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. De minister betoogt onder meer dat wat is weggelakt gaat over de vertrouwenspersoon en dus onderwerp van het geschil is. Als [wederpartij] die informatie zou krijgen, heeft de verdere procedure van het hoger beroep volgens de minister geen zin meer.
3. [wederpartij] vindt dat de minister zijn verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
5. De Afdeling oordeelt dat de minister zijn verzoek om beperkte kennisneming voldoende heeft gemotiveerd.
De Afdeling heeft kennis genomen van de vertrouwelijke versies van de stukken. Zij stelt vast dat de betreffende passages informatie bevatten over de identiteit en achtergrond van de vertrouwenspersoon, de gebruikte bronnen en de gehanteerde onderzoeksmethoden. De vraag of de minister deze informatie mocht weigeren, is in dit geval onderwerp van het geschil tussen de minister en [wederpartij] en staat centraal in de bodemprocedure. Als die informatie zou worden verstrekt aan [wederpartij] zou daarmee het oordeel in de bodemprocedure er niet meer toe doen. Om die reden weegt het belang bij beperking van de kennisneming in dit geval zwaarder dan het belang dat [wederpartij] kennis kan nemen van de vertrouwelijke versies van de stukken.
6. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th Drop, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2024
290