Uitspraak 202305320/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:4473
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 31 december 2020 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2018 en 2019 en de huurtoeslag over 2019 definitief op nihil vastgesteld en een bedrag van in totaal € 6.677,00 aan te veel betaalde voorschotten teruggevorderd. [appellant] is het hier niet mee eens. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen het recht op deze toeslagen terecht heeft herzien, dat de toeslagen zijn betaald aan [appellant] en mochten worden teruggevorderd. [appellant] betoogt allereerst dat zij voor 2019 geen huurtoeslag heeft aangevraagd. De rechtbank is op dit betoog ingegaan in overwegingen 3 en 3.1., die erop neerkomen dat de aanvraag die [appellant] voor 2018 heeft gedaan op grond van de Awir ook geldt voor daaropvolgende jaren. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist zou zijn. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Mondelinge uitspraak
- Geld
Toon inhoud
202305320/1/A2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2023 in zaak nr. 21/1535 en 21/1536 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans: Dienst Toeslagen).
Openbare zitting gehouden op 23 oktober 2024 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: J.E.T. de Regt
Verschenen:
de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 5 juli 2023 van de rechtbank Gelderland.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering
Bij besluiten van 31 december 2020 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2018 en 2019 en de huurtoeslag over 2019 definitief op nihil vastgesteld en een bedrag van in totaal € 6.677,00 aan te veel betaalde voorschotten teruggevorderd. [appellant] is het hier niet mee eens. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen het recht op deze toeslagen terecht heeft herzien, dat de toeslagen zijn betaald aan [appellant] en mochten worden teruggevorderd.
[appellant] betoogt allereerst dat zij voor 2019 geen huurtoeslag heeft aangevraagd. De rechtbank is op dit betoog ingegaan in overwegingen 3 en 3.1., die erop neerkomen dat de aanvraag die [appellant] voor 2018 heeft gedaan op grond van de Awir ook geldt voor daaropvolgende jaren. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist zou zijn. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.
Daarnaast stelt [appellant] in hoger beroep opnieuw dat zij nooit huurtoeslag heeft ontvangen. Ook op deze stelling is de rechtbank ingegaan, zij het kort. De Dienst Toeslagen heeft in beroep stukken overgelegd waaruit blijkt dat de voorschotten deels zijn verrekend, en deels aan [appellant] zijn overgemaakt. Daar heeft [appellant] in beroep niet gemotiveerd op gereageerd. De Afdeling heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om in hoger beroep nader te onderbouwen dat aan haar op het genoemde bankrekeningnummer geen toeslagen zijn overgemaakt. Zij heeft haar betoog vervolgens aangevuld met de stelling dat de bankrekening waarnaar de Dienst Toeslagen de huurtoeslag heeft overgemaakt haar niet bekend voorkomt. De Afdeling vat dit op als de stelling dat de bankrekening niet van haar is. [appellant] heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd en is ook ter zitting niet verschenen om een nadere toelichting te geven.
De Dienst Toeslagen heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat uit het Register Bankgegevens blijkt dat de rekening nog altijd actief is en al jarenlang op naam van [appellant] staat. De zorgtoeslag van [appellant] wordt bovendien tot op de dag van vandaag overgemaakt naar deze bankrekening. Bij deze stand van zaken was een nadere onderbouwing van [appellant] dat zij de huurtoeslag 2018 niet heeft ontvangen noodzakelijk, maar die is er niet gekomen. De Dienst Toeslagen is er dan ook terecht van uitgegaan dat [appellant] de voorschotten heeft ontvangen.
[appellant] betwist ook dat haar recht op huur- en zorgtoeslag terecht is herzien. De rechtbank heeft bij de beoordeling van dit betoog terecht de vraag centraal gesteld of het toetsingsinkomen juist is vastgesteld. De Dienst Toeslagen moet daarbij uitgaan van het inkomen dat in de Basisregistratie Inkomen is opgenomen, naar aanleiding van de vaststelling van het inkomen door de inspecteur van de Belastingdienst. Dat heeft de Dienst Toeslagen in dit geval ook gedaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel. Dat leidt tot de conclusie dat zij in 2018 en 2019 geen recht had op huur- en zorgtoeslag, en dat haar recht op deze toeslagen dus terecht is herzien. Dat leidt er in beginsel ook toe dat teveel betaalde voorschotten/toeslagen moeten worden teruggevorderd.
[appellant] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen de uitgekeerde voorschotten niet mocht terugvorderen, omdat de Dienst Toeslagen onjuiste en onduidelijke informatie heeft verschaft. Voor zover [appellant] hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, slaagt dit niet. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van degene die een toeslag aanvraagt om te controleren of diegene daar ook recht op heeft. In de tweede plaats heeft zij dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd.
[appellant] stelt tot slot dat zij het teruggevorderde bedrag niet kan betalen. Dit is een beroep op de onevenredigheid van de gevolgen van de terugvordering. Daarvoor moeten bijzondere omstandigheden worden aangevoerd. Ook op deze stelling is de rechtbank gemotiveerd ingegaan, in overweging 5.4 van de aangevallen uitspraak. De Afdeling is het hiermee eens. [appellant] heeft ook in hoger beroep namelijk geen nadere onderbouwing gegeven van de gestelde onmogelijkheid de terugvordering te betalen.
De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1128