Uitspraak 202405548/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:3657
- Datum uitspraak
- 9 september 2024
- Inhoudsindicatie
- Het verzoek betreft de beslissing van 21 augustus 2024 waarbij de commissie Bindend Studie Advies namens het het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam [verzoeker] een bindend negatief studieadvies heeft gegeven voor de bacheloropleiding Bedrijfskunde. Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het college van beroep voor de examens en de voorzieningenrechter verzocht hangende het administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen. Het belang van [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening is dat hij studievertraging wil voorkomen. Het collegejaar is op 2 september 2024 begonnen. Met het verzoek om voorlopige voorziening beoogt [verzoeker] de beslissing van 21 augustus 2024 op te schorten, zodat hij onderwijs kan blijven volgen en eventueel tentamens kan maken. Zo wordt voorkomen dat hij vertraging oploopt als uit de bodemprocedure volgt dat het bindend negatief studieadvies ten onrechte is gegeven. Tegenover dat belang heeft het CvB naar voren gebracht dat het niet werkbaar is om studenten die een bindend negatief studieadvies hebben gekregen, toch onderwijs te laten volgen.
- Mondelinge uitspraak
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202405548/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: het CvB),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 september 2024 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H. Benek, voorzieningenrechter
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. H.E. van Terwisga
Verschenen:
[verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde];
Het CvB, vertegenwoordigd door drs. A.M. van Donk, secretaris van het college van beroep voor examens, en mr. C.J.M. Berends en [gemachtigde], beiden secretaris van de BSA-commissie.
Het verzoek betreft de beslissing van 21 augustus 2024 waarbij de commissie Bindend Studie Advies (hierna: de BSA-commissie) namens het CvB [verzoeker] een bindend negatief studieadvies heeft gegeven voor de bacheloropleiding Bedrijfskunde. Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het college van beroep voor de examens en de voorzieningenrechter verzocht hangende het administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen.
De BSA-commissie heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter zal op het verzoek beslissen op basis van een afweging van de betrokken belangen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek toe;
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam [verzoeker] hangende het administratief beroep toelaat tot de bacheloropleiding Bedrijfskunde in het academisch studiejaar 2024/2025 en dat hij mag deelnemen aan het onderwijs en de tentamens voor deze opleiding totdat op het administratief beroep is beslist;
III. veroordeelt het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van de voorlopige voorziening betaalde griffierecht ten bedrage van € 51,00 vergoedt.
Gronden
Het belang van [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening is dat hij studievertraging wil voorkomen. Het collegejaar is op 2 september 2024 begonnen. Met het verzoek om voorlopige voorziening beoogt [verzoeker] de beslissing van 21 augustus 2024 op te schorten, zodat hij onderwijs kan blijven volgen en eventueel tentamens kan maken. Zo wordt voorkomen dat hij vertraging oploopt als uit de bodemprocedure volgt dat het bindend negatief studieadvies ten onrechte is gegeven. Tegenover dat belang heeft het CvB naar voren gebracht dat het niet werkbaar is om studenten die een bindend negatief studieadvies hebben gekregen, toch onderwijs te laten volgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende om dat zwaarder te laten wegen dan het belang van [verzoeker].
w.g. Benek
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
705-972