Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.24.000051

Uitspraak BRS.24.000051

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:3617
Datum uitspraak
10 september 2024
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.24.000051
ECLI:NL:RVS:2024:3617
Datum uitspraak: 10 september 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2024 in zaak nr. NL24.4159 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 20 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Na de strafrechtelijke detentie heeft de minister op 26 januari 2024 de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Uit het Model M133 van 5 februari 2024 blijkt dat de maatregel van bewaring op die dag is opgeheven, omdat het dossier niet tijdig aan de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek is verstuurd, waardoor ervan is uitgegaan dat niet voldoende voortvarend is gehandeld. In beroep heeft de minister betoogd dat de regievoerder per vergissing de maatregel van bewaring te vroeg heeft opgeheven. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een termijn van veertien dagen geldt waarbinnen een eerste daadwerkelijke handeling gericht op de uitzetting had moeten plaatsvinden, omdat de vreemdeling ongedocumenteerd is, en dat de regievoerder ten onrechte uitging van een termijn van zeven dagen. Er had volgens de minister nog binnen de termijn van veertien dagen een vertrekgesprek kunnen plaatsvinden. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de maatregel van bewaring te vroeg is opgeheven en dat hij voldoende voortvarend heeft gehandeld.

2.       De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.

2.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, onder 6.1 tot en met 6.3, volgt dat, anders dan de rechtbank overweegt, de Afdeling er niet onverkort van uitgaat dat binnen een vast aantal dagen een eerste handeling moet worden verricht teneinde te voldoen aan de verplichting om voortvarend te werken aan een uitzetting of overdracht. Bij de beoordeling of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, bestaat steeds ruimte om de relevante feiten en omstandigheden van het geval mee te wegen. Feiten en omstandigheden voorafgaand aan de bewaring kunnen verder aanleiding zijn om van de minister te verlangen dat hij tijdens de bewaring meer dan gebruikelijk voortvarend handelt.

2.2.    In deze zaak bestond zo’n aanleiding. De minister heeft eerder een asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen en de vreemdeling in bewaring gesteld. Hierna heeft de minister op 13 december 2023 een bevestiging van de identiteit van de vreemdeling van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen en heeft hij een aanvraag voor een laissez-passer voor de vreemdeling ingediend. Op 16 januari 2024 is de vreemdeling via het strafrecht weer in beeld gekomen bij de minister. Op die dag is namelijk een M122-formulier uitgereikt, waarin de vreemdeling ervan op de hoogte is gesteld dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, dan wel 50a, eerste lid, van de Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Op 26 januari 2024 is de vreemdeling in bewaring gesteld. De minister heeft tot de opheffing van de maatregel, op de elfde dag van de bewaring, geen daadwerkelijke uitzettingshandeling verricht. Omdat de vreemdeling al enige tijd in beeld was, mocht van de minister in dit geval worden verlangd eerder een daadwerkelijke handeling gericht op de uitzetting te verrichten. De minister heeft niet toegelicht waarom dit niet mogelijk was. De minister heeft daarom onvoldoende voortvarend gehandeld. Dit maakt de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig.

2.3.    De grief slaagt.

3.       Omdat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De overige grieven hoeven geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2024 in zaak nr. NL24.4159;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.100,00 over de periode van 26 januari 2024 tot en met 5 februari 2024, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2024

872-1102


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon