Uitspraak BRS.24.000311
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:3540
- Datum uitspraak
- 2 september 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.24.000311
ECLI:NL:RVS:2024:3540
Datum uitspraak: 2 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 9 augustus 2024 in zaak nr. NL24.29513 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De termijn voor de ophouding liep op 24 juli 2024 om 21.55 uur af. De maatregel van bewaring is om 22.40 uur opgelegd. De termijn van de ophouding is dus met 45 minuten overschreden.
1.1. De rechtbank heeft de vaste rechtspraak van de Afdeling zoals die onder meer volgt uit de uitspraak van 14 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9494, onder 2.2.2, toegepast. Uit die rechtspraak volgt dat de onrechtmatigheid van de ophouding de bewaring pas onrechtmatig maakt als de met de bewaring gediende belangen niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De eerste grief van de vreemdeling is gericht tegen de uitkomst van de door de rechtbank gemaakte belangenafweging.
De rechtbank had in dit geval echter de uitspraak van Afdeling van 29 oktober 2003 in zaak nr. 200305796/1 (JV 2004/8) moeten toepassen. Zoals de Afdeling namelijk eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338, onder 16.1) heeft de uitspraak van 29 oktober 2003 betrekking op de situatie dat het in artikel 5.2. van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedoelde gehoor voor het verstrijken van de termijn van ophouding is aangevangen, maar buiten de termijn van ophouding is beëindigd. Die situatie doet zich hier voor, omdat het gehoor om 21.00 uur is aangevangen en het proces-verbaal van gehoor om 22.05 uur is ondertekend, waaruit volgt dat het gehoor buiten de termijn van ophouding is beëindigd.
De rechtbank had daarom moeten volstaan met het oordeel dat deze termijnoverschrijding met 45 minuten er niet toe leidt dat de bewaring onrechtmatig is. Al hierom faalt de grief.
2. De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1. De grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, onder 5, over de informatieplicht van de minister uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbetering van gronden bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2024
347