Uitspraak 202303283/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:2879
- Datum uitspraak
- 24 juli 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat [appellant] binnen 12 maanden na de datum van verzending van dit besluit het gebruik van het "noodonderkomen", ofwel de tot woning verbouwde boogkas, moet beëindigen en aansluitend beëindigd moet houden en deze moet slopen dan wel weer terug moet brengen in de oorspronkelijke staat, zijnde een boogkas (kweekkas) zonder woonvoorzieningen, gemaakt van doorzichtig materiaal. [appellant] is eigenaar van een stuk grond gelegen naast het adres [locatie], Hazerswoude-Dorp. Daar staat een door [appellant] tot woning verbouwde romneyloods. [appellant] is daar gaan wonen en heeft vervolgens bij de gemeente aangifte gedaan van inschrijving met een briefadres. Naar aanleiding van deze aangifte is [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentehuis. Daar heeft [appellant] toegelicht dat hij op het perceel woont. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel handelt. De rechtbank heeft onvoldoende oog gehad voor de menselijke maat.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202303283/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Hazerswoude-Dorp,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 april 2023 in zaak nrs. 21/3367 en 23/513 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2020 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat [appellant] binnen 12 maanden na de datum van verzending van dit besluit het gebruik van het "noodonderkomen", ofwel de tot woning verbouwde boogkas, moet beëindigen en aansluitend beëindigd moet houden en deze moet slopen dan wel weer terug moet brengen in de oorspronkelijke staat, zijnde een boogkas (kweekkas) zonder woonvoorzieningen, gemaakt van doorzichtig materiaal.
Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het college onder meer het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 april 2023 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 mei 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 13 juli 2020 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar van een stuk grond gelegen naast het adres [locatie], Hazerswoude-Dorp. Daar staat een door [appellant] tot woning verbouwde romneyloods. [appellant] is daar gaan wonen en heeft vervolgens bij de gemeente aangifte gedaan van inschrijving met een briefadres. Naar aanleiding van deze aangifte is [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentehuis. Daar heeft [appellant] toegelicht dat hij op het perceel woont.
3. Naar aanleiding van dit gesprek heeft het college aanvullend onderzoek verricht, omdat bij het college niet bekend was dat er gebouwen op het perceel staan. Voor zover nu nog van belang, heeft het college aan de hand van dit onderzoek vastgesteld dat [appellant] niet beschikt over een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de romneyloods. Ook heeft het college vastgesteld dat het op grond van de beheersverordening "Buitengebied Rijnwoude 2015" niet is toegestaan daar te wonen. Voor de grond van [appellant] geldt namelijk de bestemming "Agrarisch-Sierteelt", wat betekent dat deze gronden bestemd zijn voor het uitoefenen van een sierteeltbedrijf.
4. Het college heeft aan [appellant] op 24 februari 2020 een brief gestuurd met het verzoek de overtredingen te beëindigen. Omdat [appellant] daar geen gehoor aan heeft gegeven, heeft het college bij brief van 18 mei 2020 aangekondigd voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen. Bij besluit van 13 juli 2020 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. [appellant] heeft tegen het besluit van 13 juli 2020 bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2021.
5. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. [appellant] kan zich daar niet mee verenigen en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep gaat alleen over de overwegingen van de rechtbank over het evenredigheidsbeginsel en niet over de andere overwegingen van de rechtbank.
Het hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel handelt. De rechtbank heeft onvoldoende oog gehad voor de menselijke maat.
6.1. Deze hoger beroepsgrond is zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. [appellant] heeft in zijn hoger beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.3 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Perlot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024
952