Uitspraak 202402338/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:2673
- Datum uitspraak
- 2 juli 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgehouden voor verhoor.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202402338/1/V3
Datum uitspraak: 2 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 10 april 2024 in zaak nr. NL24.14285 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgehouden voor verhoor.
Bij uitspraak van 10 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Dogan, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de ophouding als bedoeld in het in hoofdstuk 4 van de Vw 2000 opgenomen artikel 50. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Omdat de rechtbank onder de uitspraak ten onrechte heeft vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld, moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2024
18-1102