Uitspraak 202206796/1/R3


Volledige tekst

202206796/1/R3.
Datum uitspraak: 29 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nijverdal, gemeente Hellendoorn,
appellant,

en

de raad van de gemeente Hellendoorn,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Nijverdal" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 april 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Raalte, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. Brinker en E.J. Vossebelt, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 4 juni 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Aan de [locatie 1] in Nijverdal bevindt zich op de begane grond een commerciële ruimte met daarboven één appartement. [partij] wil op dit perceel, op de begane grond een commerciële ruimte, en daarboven zeven appartementen realiseren. Deze ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan "Nijverdal Centrum", omdat ter plaatse maximaal het bestaande aantal woningen is toegestaan en mag worden gebouwd. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Nijverdal" gewijzigd vastgesteld.

3.       [appellant] is eigenaar en bewoner van het appartement aan de [locatie 2] te Nijverdal, dat op de bovenste verdieping van het gebouw naast het beoogde appartementengebouw ligt. Hij is het niet eens met het plan, voor zover dit de bouw van een muur op een afstand van 30 cm van de zijgevel van zijn appartement mogelijk maakt. Hij vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

4.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Het beroep van [appellant]

Aantasting van woon- en leefklimaat en onderhoudsmogelijkheden

6.       [appellant] betoogt dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hiertoe voert hij aan dat het plan in de mogelijkheid voorziet om naast de zijgevel van zijn appartement op een afstand van minder dan 30 cm een blinde muur te realiseren. Dit zal niet alleen het uitzicht vanuit de aan deze zijde van zijn appartement aanwezige ramen volledig belemmeren, maar ook de lichtinval in zijn appartement sterk verminderen. Dit is een dusdanige verslechtering van zijn woon- en leefklimaat dat de raad het plan op dit punt redelijkerwijs niet had kunnen vaststellen, aldus [appellant]. De enkele stelling van de raad dat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat, is volgens [appellant] te kort door de bocht. Verder voert [appellant] aan dat een muur op zo’n korte afstand ertoe leidt dat hij geen onderhoud meer kan uitvoeren aan de zijgevel van zijn appartement.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft er tijdens de zitting op gewezen dat, ten opzichte van de bestaande planologische situatie, die hij niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht, dezelfde bouwmassa wordt toegestaan. Dit bestemmingsplan staat namelijk ter plaatse - net als het voorheen geldende bestemmingsplan - een maximale bouwhoogte van 14,5 m toe. Het enige verschil is volgens de raad het aantal toegestane appartementen en de vertaling daarvan in het aantal bouwlagen.

6.2.    Niet in geschil is dat de kortste afstand tussen het appartement van [appellant] en het bouwvlak van dit bestemmingsplan ongeveer 30 cm bedraagt, waar op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan ook op een afstand van 30 cm gebouwd kon worden. De Afdeling stelt vast dat de maximaal toegestane bouwhoogte 14,5 m bedraagt, waar die op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan ook 14,5 m bedroeg. Gelet op het voorgaande leidt dit plan wat betreft de bebouwingsmogelijkheden niet tot een verslechtering ten opzichte van de bestaande planologische situatie.

Dit ontslaat de raad echter niet van de verplichting om bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging te maken van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kortste afstand van het appartement van [appellant] tot het bouwvlak 30 cm bedraagt en dat dit bouwvlak ingevolge artikel 3.2.1, onder a, van de planregels volledig bebouwd mag worden. Mede gelet op deze afstand en de maximaal toegestane bouwhoogte had het op de weg van de raad gelegen om de gevolgen van het plan voor het uitzicht vanuit het appartement van [appellant], de lichtinval in dat appartement en de mogelijkheid tot onderhoud van de zijgevel van dat appartement te onderzoeken en inzichtelijk te maken. De Afdeling stelt vast dat de raad de belangen van [appellant] niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het plan is daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Privaatrechtelijke belemmering

7.       [appellant] betoogt dat er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat. Hij voert daartoe aan dat de muur op een afstand van 30 cm van de zijgevel van zijn appartement niet gerealiseerd kan worden omdat dit in strijd is met artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW).

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het niet evident is dat het plan leidt tot strijd met artikel 5:50, vierde lid, van het BW, omdat het plan niet de bouw van een muur op een afstand van 30 cm van de zijgevel van het appartement van [appellant] verplicht.

7.2.    Artikel 5:50 van het BW luidt als volgt:

"1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

[…]

4. Wanneer de nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming van een opening of werk meer kan vorderen, is hij verplicht binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen, behoudens voor zover zulk een gebouw of werk zich daar reeds op het tijdstip van de voltooiing van de verjaring bevond.

[…]"

7.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.

Omdat uit het plan niet volgt dat de hierin opgenomen mogelijkheden alleen maar kunnen worden gerealiseerd in strijd met artikel 5:50, vierde lid, van het BW, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat er geen zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering is dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Bestuurlijke lus

8.       Uit wat hiervoor onder 6.2 is overwogen, volgt dat het plan in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.

9.       Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak het onder 6.2 geconstateerde gebrek te herstellen. De raad kan dit doen door, met inachtneming van wat hiervoor onder 6.2 is overwogen, alsnog toereikend onderzoek te laten verrichten naar de gevolgen van het plan voor het uitzicht vanuit het appartement van [appellant], de lichtinval in dat appartement en de mogelijkheid tot onderhoud van de zijgevel van dat appartement, en op basis daarvan het besluit te motiveren en het besluit zo nodig te wijzigen of een ander besluit te nemen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

10.     De raad moet de Afdeling en [appellant] de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.

11.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Hellendoorn op om:

- binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van de overweging 9 het daarin genoemde gebrek te herstellen,

- de Afdeling en [appellant] de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Plambeck
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024

159-1091

BIJLAGE

Bestemmingsplan "Nijverdal Centrum"

Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving

a. De voor "Centrum-1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

2. op de verdiepingen van de gebouwen:

a. bestaande aantal woningen;

[…]

Artikel 3.2 Bouwregels

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid 3.1 bedoelde bestemmingen worden gebouwd; daarbij gelden de volgende bepalingen:

a. het aantal woningen bedraagt ten hoogste het op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerpplan bestaande aantal, dan wel het aantal dat op de verbeelding in het bebouwingsvlak is opgenomen;

[…]

c. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande afstand indien die minder is, dan wel achter het verlengde daarvan gebouwd; deze regel geldt niet voor een tweede of volgende naar de weg gekeerde gevel die niet als de belangrijkste voorgevel is aan te merken;

1. voor het hoofdgebouw bedraagt de maximum goothoogte 12 m en de maximum bouwhoogte 14,5 m inhoudende maximaal drie bouwlagen waarboven een terugliggende vierde bouwlaag is toegestaan, tenzij anders aangeduid dan wel de bestaande maatvoering indien deze ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan reeds meer bedraagt, in welk geval deze maatvoering als maximum geldt;

[…]

Bestemmingsplan "[locatie 1] te Nijverdal"

Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. op de verdiepingen van de gebouwen:

1. maximaal 7 appartementen;

[…]

Artikel 3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij geldt dat het bouwvlak volledig mag worden bebouwd en waarbij de hoofdgebouwen met de voorgevel dienen te worden gebouwd in de voorgevelbouwgrens;

[…]

c. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;

[…]