Uitspraak 202307656/4/V6


Volledige tekst

202307656/4/V6.
Datum beslissing: 23 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2023 in zaak nr. 23/386 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2023 in zaak nr. 23/386.

De minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) heeft, op verzoek van de Afdeling krachtens artikel 8:45 van de Awb, de vertrouwelijke versie van gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft onderliggende stukken van een individueel ambtsbericht van de vreemdeling, namelijk:
- een memorandum van 3 november 2015 van het Cluster Ambtsberichten aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Kigali;
- een onderzoeksverslag van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Kigali van 12 juni 2016;
- een e-mailwisseling tussen het Cluster Ambtberichten en de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Kigali van 3 tot en met 5 augustus 2016.

Overwegingen

1.       De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.

2.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.       De minister heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij een beperkte kennisneming in dit geval noodzakelijk acht om de bij de bij het onderzoek geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken te beschermen. De minister heeft toegelicht dat voor een onderzoek naar aanleiding van een asielverzoek vaak vertrouwenspersonen en informanten worden ingeschakeld en dat hij verantwoordelijk is voor het handhaven van een vertrouwelijke omgang met hun identiteit, functies en door hen verstrekte informatie. Doet hij dat niet, dan kan bekend raken dat zij aan een asielonderzoek hebben meegewerkt en kunnen zij ernstig gevaar lopen. Verder heeft de minister uitgelegd dat het nodig kan zijn om een beroep te doen op de bescherming van een gebruikte onderzoeksmethode of -techniek. Dat heeft volgens hem verschillende redenen. Soms is het nodig, omdat de identiteit van een vertrouwenspersoon of informant kan worden afgeleid uit een gebruikte onderzoeksmethode of -techniek. Daarnaast kan het nodig zijn omdat als methoden en technieken bekend zouden worden, de gegevens misbruikt zouden kunnen worden waardoor toekomstig onderzoek niet meer mogelijk is of zelfs geen zin meer heeft.

4.       De Afdeling heeft kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken. Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen, derden en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken in dit geval zwaarder dan het belang van de vreemdeling bij kennisneming van de stukken. Daarnaast beroept de minister zich wat betreft de mailwisseling ook terecht op onevenredige benadeling.

5.       De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer

w.g. Van Kesteren
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2024

897