Uitspraak 202401537/2/R3


Volledige tekst

202401537/2/R3.
Datum uitspraak: 22 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te Sleen, gemeente Coevorden,
verzoekers,

en

de raad van de gemeente Coevorden,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Gelpenberg, Fietspad" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] beroep ingesteld. Daarbij hebben [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoekers] hebben een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld op 7 mei 2024, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A. Wijnands-Veninga, is verschenen.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 12 april 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

3.       Het plan maakt een fietspad mogelijk langs de bestaande weg Gelpenberg te Coevorden. De Gelpenberg is een doorgaande weg tussen de dorpen Aalden en Witteveen. Aan deze weg liggen een asielzoekerscentrum, een groot recreatiepark, een golfbaan, woningen en een aantal agrarische percelen. Het beoogde fietspad is voorzien aan de zuidzijde van de Gelpenberg.

4.       [verzoekers] hebben allebei een agrarisch perceel in eigendom dat voor een deel is gesitueerd binnen het plangebied. Teneinde het voorziene fietspad aldaar te kunnen aanleggen zullen de betreffende delen van die percelen daartoe beschikbaar moeten komen. De raad heeft aangegeven daartoe zo nodig het instrument van onteigening te willen inzetten.

Beoordeling

5.       [verzoekers] hebben verschillende gronden tegen het bestemmingsplan aangevoerd. In deze voorlopige voorzieningenprocedure gaat het alleen om de vraag of aanleiding bestaat om het bestemmingsplan te schorsen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om alle door hen aangevoerde gronden te bespreken. De voorzieningenrechter zal zich beperken tot bespreking van die gronden van [verzoekers] die een reden zouden kunnen zijn het bestemmingsplan te schorsen. Dit zijn de gronden over alternatieven, verkeerstellingen en een herplantplicht. De voorzieningenrechter zal daartoe bezien of die gronden aanleiding geven voor de verwachting dat het bestemmingsplan in de bodemprocedure zal worden vernietigd.

Alternatieven

6.       [verzoekers] voeren aan dat een fietspad aan de noordzijde van de weg Gelpenberg een betere optie zou zijn. Zo kan er aangesloten worden op de infrastructuur van het vakantiepark en het dorp Aalden en hoeven vrijwel geen bomen gekapt te worden. De ecologische en financiële voetafdruk van de voorziene ontwikkeling zou daarmee fors verkleind kunnen worden.

Daarnaast wijzen [verzoekers] erop dat er eigenlijk helemaal geen apart fietspad hoeft te worden aangelegd. Fietsers kunnen gelet op de functie en het karakter van de Gelpenberg volgens hen ook op de rijbaan fietsen. Als voorbeeld wijzen zij naar het wegprofiel van de Wezuperstraat in Wezup.

6.1.    De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle daarbij betrokken planologisch relevante belangen. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden betrokken.

In het rapport "Fietsopgaven Coevorden" van Roelofs van 16 november 2020 (hierna: het rapport fietsopgaven), bijgevoegd bij de plantoelichting, is een alternatieven onderzoek gedaan voor het realiseren van een vrijliggende fietsvoorziening onder meer langs de Gelpenberg vanaf Aalden tot en met het recreatiepark met een doorkijk van het tracé naar de kruising met de Gebbeveenweg. Zo wel een fietspad aan de zuidzijde als aan de noordzijde van de Gelpenberg is onderzocht. De raad stelt dat uiteindelijk is gekozen om het voorziene fietspad aan de zuidzijde van de Gelpenberg aan te leggen in plaats van aan de noordzijde. Zo zal een fietspad aan de noordzijde door bij woningen behorende tuinen van particulieren lopen. Dit heeft negatieve gevolgen op het gebied van inkijk en privacy, aldus de raad. De aanleg van een fietspad in delen van die tuinen zal volgens de raad gelet ook op de omvang van die tuinen relevante gevolgen kunnen hebben voor de gebruiksmogelijkheden van de resterende delen van die tuinen. Daarvan zal bij de aanleg van een fietspad aan de zuidzijde geen of minder sprake zijn, omdat het fietspad daar op agrarische percelen van een bepaalde omvang zal worden aangelegd. Daarnaast zal het recreatiepark dat nabij het plangebied is gesitueerd, ook een deel van haar gronden moeten verkopen aan de gemeente en moeten er ook bomen worden gekapt op deze gronden. Verder stelt de raad dat het goedkoper is om het voorziene fietspad aan de zuidzijde aan te leggen.

Voor zover [verzoekers] wijzen op een fietsstrook op de rijbaan, stelt de raad op zitting dat er juist voor is gekozen om een apart fietspad naast de rijbaan aan te leggen, omdat er op de Gelpenberg veel tractoren en ander zwaar in het bijzonder landbouwverkeer rijdt. Vanwege de verkeersveiligheid is daarom gekozen voor een apart fietspad naast de rijbaan.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de raad de door [verzoekers] voorgestelde alternatieven heeft afgewogen bij de vaststelling van het plan en op toereikende wijze heeft gemotiveerd waarom niet voor die alternatieven is gekozen.

Verkeerstellingen

7.       [verzoekers] voeren aan dat de verkeerstellingen die zijn genoemd in het rapport fietsopgaven, niet zijn onderbouwd. Zij kunnen niet nagaan of er een onderzoek heeft plaatsgevonden en op welke manier er onderzoek heeft plaatsgevonden.

7.1.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de raad de verkeerstellingen niet heeft onderbouwd. In het rapport fietsopgaven staat dat er verkeerstellingen zijn uitgevoerd. Zo staat er dat om het huidige gebruik van de Gelpenberg inzichtelijk te maken er gedurende twee weken verkeerstellingen zijn uitgevoerd in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 3 september 2020. Deze telperiode viel gedeeltelijk in de zomervakantie van regio midden Nederland. Deze regio had vakantie tot en met 30 augustus 2020. Hierdoor is ook het effect van recreatieverkeer, afkomstig van het recreatiepark meegenomen in de telling, zo staat in het rapport fietsopgaven. Hieruit blijkt dat en op welke manier die tellingen hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van het rapport fietsopgaven.

Herplant

8.       [verzoekers] voeren aan dat ten onrechte niet in het bestreden plan is opgenomen waar de herplant van nieuwe bomen gaat plaatsvinden.

8.1.    De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geen redenen voor het oordeel dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is om in het plan op te nemen waar de herplant van de in verband met de aanleg van het fietspad te kappen  bomen plaats zal vinden. Ook is gelet op het aangevoerde niet te verwachten dat daarvoor onvoldoende mogelijkheden aanwezig zijn.

Conclusie

9.       Omdat de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, niet verwacht dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden, bestaat geen aanleiding om in afwachting van de uitkomst daarvan een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.

10.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Hoekstra
voorzieningenrechter

w.g. Van Ewijk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024

867