Uitspraak 202402953/1/V1


Volledige tekst

202402953/1/V1.
Datum uitspraak: 17 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[de vreemdeling],
verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2024 in zaak nr. 202400944/1/V1, ECLI:NL:RVS:2024:1420.

Procesverloop

Bij brief van 12 mei 2024 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de hiervoor genoemde uitspraak van 4 april 2024 te herzien.

Overwegingen

1.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Verzoeker heeft zulke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.

2.       Verzoeker wil herziening van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep. Hij voert aan dat de Afdeling van een onjuiste hogerberoepstermijn is uitgegaan en verwijst ter toelichting naar de begeleidende brief van 2 januari 2024 bij de uitspraak van de rechtbank. In die brief staat dat de termijn om hoger beroep in te stellen zes weken is.

De Afdeling stelt vast dat de wettelijke termijn voor hoger beroep in deze zaak vier weken bedraagt, dat die termijn ook in de rechtsmiddelenclausule van de uitspraak van de rechtbank is opgenomen en verzoeker ook van deze termijn is uitgegaan in zijn brief van 21 februari 2024. Maar dit nog daargelaten, heeft verzoeker in die brief van 21 februari 2024, desgevraagd, aangevoerd dat hij zijn hoger beroep te laat heeft ingediend, omdat hij de uitspraak van de rechtbank te laat heeft ontvangen vanwege problemen met PostNL. Verzoeker was toen al bekend met de brief van 2 januari 2024, of kon daar in ieder geval redelijkerwijs mee bekend zijn. Deze brief levert alleen al daarom geen grond voor herziening op.

3.       De Afdeling wijst het verzoek daarom af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Lange
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2024

999