Uitspraak 202201497/1/R2


Volledige tekst

202201497/1/R2.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Chint Solar Nederland Projecten B.V. (hierna: Chint Solar), gevestigd te [plaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 januari 2022 in zaak nr. 20/2162 in het geding tussen:

Chint Solar

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2020 heeft het college de aanvraag van Chint Solar voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor de aanleg en het in gebruik hebben van een zonnepark (hierna: de natuurvergunning) afgewezen.

Bij uitspraak van 12 januari 2022 heeft de rechtbank het door Chint Solar daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft Chint Solar hoger beroep ingesteld.

De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 18 december 2023, waar Chint Solar Nederland Projecten B.V., vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, rechtsbijstandverlener in Nijmegen, S. Eljarroudi en M. van Amersfoort, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.P.P. Paas en drs. P.C. Meeuwissen, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

2.       De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 16 mei 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

3.       Chint Solar heeft een natuurvergunning aangevraagd voor de realisatie van een zonnepark op twee agrarische percelen op landgoed Quadenoord in Renkum (hierna: de akkerpercelen). De akkerpercelen beslaan een oppervlakte van 6,2 en 9,6 ha en in totaal dus 15,8 ha. De akkerpercelen liggen in het Natura 2000-gebied "Veluwe". Dat gebied is aangewezen in het kader van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn, onder meer voor de soorten "boomleeuwerik" (A246) en "wespendief" (A072). De instandhoudingsdoelstelling voor de boomleeuwerik is gericht op het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren. De instandhoudingsdoelstelling voor de wespendief is gericht op het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied, met een draagkracht voor een populatie van ten minste 2.400 paren.

4.       Het college heeft de aanvraag voor de natuurvergunning afgewezen. Het college is ervan uitgegaan dat voor de realisatie van het zonnepark een natuurvergunning nodig is en dat een toereikende passende beoordeling ontbreekt, onder andere omdat niet de zekerheid is verkregen dat de realisatie van het zonnepark het leefgebied van de wespendief, de boomleeuwerik en de roodborsttapuit niet aantast. Tegen dit besluit heeft Chint Solar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) gevraagd om advies uit te brengen. De STAB heeft vervolgens verslag uitgebracht (hierna: STAB-verslag).

Wettelijk kader

5.       Artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming luidt:

"[…]

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.

[…]."

De uitspraak van de rechtbank

6.       De rechtbank heeft het beroep van Chint Solar tegen het weigeringsbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder andere overwogen dat de verwezenlijking van het zonnepark significante gevolgen kan hebben voor de boomleeuwerik en de wespendief. In dit verband heeft de rechtbank voldoende onderbouwd geacht dat de akkerpercelen kunnen worden aangemerkt als leefgebied voor deze soorten. Daarbij komt volgens de rechtbank dat het zonnepark negatieve gevolgen zal hebben en dat de populaties van de boomleeuwerik en de wespendief in het Natura 2000-gebied "Veluwe" op of onder de doelpopulaties liggen en deze dalen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat daarom een natuurvergunning vereist is en een passende beoordeling moest worden opgesteld. Vervolgens is de rechtbank net als het college tot de slotsom gekomen dat een toereikende passende beoordeling ontbreekt.

7.       Chint Solar kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college de door haar gevraagde natuurvergunning voor de realisatie van haar zonnepark heeft mogen weigeren.

Beschermingsregime

8.       Chint Solar betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de akkerpercelen alleen zijn beschermd op grond van de Wnb voor zover ze daadwerkelijk een functie hebben voor de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied "Veluwe" is aangewezen. Dat de akkerpercelen alleen dan onder het beschermingsregime van de Wnb vallen, volgt volgens haar uit de nota van toelichting behorende bij het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 29 september 2016, kenmerk DN&B/2016 057, tot wijziging van het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied "Veluwe" en, zo is op de zitting gebleken, uit overweging 11 van de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1650). De rechtbank heeft zich daarom niet alleen mogen baseren op de leefgebiedenkaarten die in het kader van de beheerplannen voor de Gelderse Natura 2000-gebieden zijn gemaakt (hierna: de leefgebiedenkaarten). Uit de leefgebiedenkaarten kan namelijk alleen maar worden afgeleid dat niet kan worden uitgesloten dat de akkerpercelen feitelijk onderdeel zijn van leefgebieden van de boomleeuwerik en de wespendief. Volgens Chint Solar betekent dat echter niet dat deze gronden ook daadwerkelijk een functie hebben voor deze soorten. Op de zitting heeft zij hierover toegelicht dat de leefgebiedenkaarten daarvoor te grofmazig zijn en niet de meest recente gegevens bevatten over de functie van de percelen voor de wespendief en de boomleeuwerik. Dat de akkerpercelen ook daadwerkelijk een functie hebben voor deze soorten, moet volgens Chint Solar bij de toepassing van het beschermingsregime aan de hand van nader ecologisch onderzoek op basis van de meest recente gegevens worden vastgesteld.

8.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van Chint Solar zo dat de akkerpercelen alleen als Natura 2000-gebied zijn aangewezen, als uit een nadere ecologische beoordeling blijkt dat deze daadwerkelijk een functie hebben voor de boomleeuwerik en de wespendief.

8.2.    Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wnb volgt dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Natura 2000-gebieden aanwijst. Op de kaart die hoort bij het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied "Veluwe" van 11 juni 2014, kenmerk PDN/2014 057 (hierna: het aanwijzingsbesluit), zijn de akkerpercelen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied gebracht. Voor dit Natura 2000-gebied gold voorheen een tekstuele exclavering ten aanzien van agrarische gronden, maar met het besluit van de staatssecretaris van 29 september 2016, kenmerk DN&B/2016 057 (hierna: het wijzigingsbesluit), is deze exclavering komen te vervallen.

8.3.    Daarover heeft de Afdeling in overweging 11 van de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1650) onder andere overwogen dat door de staatssecretaris op perceelsniveau is bezien of de tekstuele exclavering kon worden omgezet in een exclavering op de kaart die bij het aanwijzingsbesluit hoort. Daarbij is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens over de leefgebieden van de vogelsoorten waarvoor de Veluwe is aangewezen, die zijn ontleend aan de leefgebiedenkaarten. Die gegevens en leefgebiedenkaarten zijn ontleend aan het SOVON-rapport uit 2015 met nummer 2015/67 (hierna: het SOVON-rapport). Met de gegevens in het SOVON-rapport kon volgens de staatssecretaris op perceelsniveau worden bepaald of gronden reeds leefgebied of potentieel geschikt leefgebied zijn.

8.4.    Vaststaat dat de akkerpercelen op de leefgebiedenkaarten vrijwel geheel zijn aangeduid als bezet geschikt leefgebied voor zowel de boomleeuwerik als de wespendief. Op basis van de leefgebiedenkaarten is de begrenzing van het Natura 2000-gebied met het wijzigingsbesluit ten aanzien van de akkerpercelen niet gewijzigd. Dit betekent dat de akkerpercelen sinds het wijzigingsbesluit onderdeel uitmaken van het Natura 2000-gebied "Veluwe".

Anders dan Chint Solar betoogt, is de aanwijzing van gronden als Natura 2000-gebied als zodanig niet afhankelijk van een nader ecologisch onderzoek naar de daadwerkelijke functie van de gronden voor relevante soorten. Dat volgt niet uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1650). Dat in de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit over het vervallen van de tekstuele exclavering van agrarische gronden staat dat percelen die in agrarisch gebruik zijn, alleen zijn beschermd voor zover ze een functie hebben voor Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijnsoorten waarvoor het gebied is aangewezen, maakt dit niet anders. Uit deze passage kan alleen maar worden afgeleid dat bij het wijzigingsbesluit alleen agrarische percelen die blijkens de leefgebiedenkaarten een functie hebben voor soorten waarvoor het Natura 2000-gebied "Veluwe" is aangewezen, zoals de akkerpercelen, binnen de begrenzing van dit gebied op de kaart zijn opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank er dus terecht van uitgegaan dat de akkerpercelen tot het Natura 2000-gebied "Veluwe" behoren.

Het betoog slaagt niet.

Significante gevolgen

9.       Chint Solar betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is uitgesloten dat de realisatie van het zonnepark significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Veluwe" zal hebben.

In dit verband brengt zij naar voren dat de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat de akkerpercelen tot het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief behoren. Uit de leefgebiedenkaarten, waarop het STAB-verslag is gebaseerd, kan volgens Chint Solar namelijk niet worden afgeleid dat de akkerpercelen daadwerkelijk een functie hebben voor de boomleeuwerik en de wespendief. De leefgebiedenkaarten vormen alleen maar een aanwijzing dat de akkerpercelen geschikt leefgebied zijn.

Ook is in dit kader de stelling in het STAB-verslag dat de realisatie van het zonnepark leidt tot het schaden van prooidieren (nestjongen) onjuist, zo betoogt zij. Nestjongen foerageren volgens haar namelijk niet op akkers. Van het schadden van prooidieren (nestjongen) en het verminderen van de kwaliteit van het leefgebied van de wespendief kan daarom geen sprake zijnDe rechtbank had zich volgens Chint Solar dus niet op het STAB-verslag mogen baseren.

Zij wijst er verder op dat uit het rapport "Toetsing Wet natuurbescherming - Zonneveld Quadenoord" van Eelerwoude van 9 januari 2020 (hierna: Natuurtoets 2020) volgt dat de akkerpercelen ongeschikt broed- en foerageergebied voor de wespendief en ongeschikt broedgebied voor de boomleeuwerik zijn.

Om dezelfde reden staat volgens Chint Solar ook niet vast wat het verlies van omvang en kwaliteit van hun leefgebied als gevolg van het zonnepark zal zijn. Daarnaast acht zij in dit verband van belang dat uit het STAB-verslag blijkt dat de gevolgen voor de kwaliteit van het leefgebied van de boomleeuwerik beperkt zijn. Ook is volgens Chint Solar niet zeker dat de door de rechtbank genoemde negatieve gevolgen zich zullen voordoen. De genoemde gevolgen zijn verharding, de plaatsing van panelen die zonlicht weerkaatsen en schitteren, schaduwwerking, de uitloging van de bodem aan de lage zijde van de panelen en de noodzaak regelmatig te maaien. Bovendien wijst Chint Solar er in dat kader op dat de verwijzing van de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2259, waarin wel vaststond dat de voorziene ontwikkeling zou leiden tot een verlies van leefgebied, niet opgaat. Ook volgt volgens haar uit de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:682, dat een afname van potentieel leefgebied alleen als negatief wordt beoordeeld wanneer voor de betrokken soort een uitbreidingsdoelstelling geldt voor zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied, wat hier niet het geval is.

9.1.    Voor zover Chint Solar betoogt dat niet vaststaat dat de akkerpercelen tot het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief behoren, overweegt de Afdeling als volgt.

In het STAB-verslag staat dat de leefgebieden zijn vastgesteld op basis van de leefgebiedenkaarten. Zoals ook onder 8.4 is overwogen, staat vast dat de akkerpercelen op de leefgebiedenkaarten vrijwel geheel zijn aangeduid als bezet geschikt leefgebied voor zowel de boomleeuwerik als de wespendief. In het STAB-verslag is over de leefgebiedenkaarten het volgende vermeld. Voor het bepalen van leefgebieden in het SOVON-rapport is gebruik gemaakt van habitatgeschiktheidskaarten (hierna: HSI-kaarten) en verspreidingsinformatie. De HSI-kaarten geven aan de hand van terreinkenmerken aan waar geschikt habitat is voor de betreffende soort. Voor het onderscheid tussen "bezet" en "mogelijk bezet" is gebruik gemaakt van verspreidingsinformatie. Uit de gegevens blijkt dat de terreinkenmerken van akkerpercelen en randen rond de akkers toereikend zijn om de gebieden aan te merken als geschikt leefgebied. De waarnemingen hebben uitsluitend betrekking op het onderscheid tussen "bezet" en "mogelijk bezet". Het doel van de leefgebiedenkaarten is om in beeld te brengen waar binnen de begrenzingen van de Natura 2000-gebieden geschikt leefgebied voorkomt. Verder blijkt uit het STAB-verslag dat het hoofdvoedsel van wespendieven bestaat uit larven en poppen van sociaal levende wespen, wat wordt aangevuld met kikkers (voorjaar, koele zomers) en - liefst kale - nestjongen van kleine tot middelgrote vogels (lijsters en houtduiven), verder reptielen, hommelbroed en andere insecten (kevers, sprinkhanen). Volgens het STAB-verslag is uit zenderonderzoek gebleken dat de wespendief het hele bosgebied gebruikt als foerageergebied. Naast het behoud van voldoende bosareaal is het van belang dat de soort voldoende foerageermogelijkheden heeft. In het beheerplan is opgenomen dat activiteiten die prooidieren schaden, moeten worden beschouwd als schadelijk voor de kwaliteit van het leefgebied van de wespendief. Het is daarom niet uitgesloten dat de kwaliteit van het leefgebied vermindert door het schaden van prooidieren, zo staat in het STAB-verslag.

9.2.    De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie van STAB dat de akkerpercelen tot het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief behoren. Uit de Natuurtoets 2020 blijkt weliswaar dat de akkerpercelen ongeschikt broed- en, met uitzondering van de akkerrand, foerageergebied voor de wespendief en ongeschikt broedgebied voor de boomleeuwerik zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de akkerpercelen geen functie als leefgebied voor die soorten vervullen. De stelling van Chint Solar dat nestjongen niet foerageren op akkers en deze prooidieren voor de wespendief dus niet worden geschaad, doet daar, wat van de juistheid daarvan ook zij, ook niet aan af. In wat Chint Solar heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dus geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het STAB-verslag niet aan haar oordeelsvorming ten grondslag mocht leggen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dan ook terecht voldoende onderbouwd geacht dat de akkerpercelen tot het leefgebied van de wespendief en de boomleeuwerik behoren.

9.3.    Voor zover Chint Solar betoogt dat niet vaststaat wat de gevolgen van de realisatie van het zonnepark voor het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief zullen zijn, overweegt de Afdeling als volgt.

Over de huidige populatieomvang van de wespendief is in het STAB-verslag vermeld dat deze in lichte mate onder de doelpopulatie ligt en dat voor de lange termijn sprake is van een populatieafname. De populatieomvang rond 2015 omvat ongeveer 90 tot 100 paren. De populatie van de boomleeuwerik ligt ruim onder het doel en blijft afnemen. De boomleeuwerik is van circa 2.500 exemplaren rond 1990 verminderd tot ongeveer 1.700 exemplaren in 2015.

Verder is in het STAB-verslag het volgende opgenomen over het verlies van omvang en kwaliteit van het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief. Door het zonnepark zal ongeveer 13,6 ha van het Natura 2000-gebied "Veluwe" worden aangetast. De oppervlakte van 13,6 ha is aangewezen als bezet geschikt leefgebied voor de wespendief. Voor de boomleeuwerik is dat 13,56 ha.

In het STAB-verslag wordt geconcludeerd dat significante effecten van het zonnepark voor onder andere de oppervlakte van het leefgebied niet uit te sluiten zijn. Het geschikt leefgebied vermindert met 13,6 ha voor de wespendief en met 13,56 ha voor de boomleeuwerik. Deze verminderingen zijn zeker in het licht van de negatieve trends die worden voorspeld voor de boomleeuwerik en de wespendief, significant.

9.4.    Chint Solar heeft de populatiegegevens uit het STAB-verslag niet weersproken. Verder heeft Chint Solar met haar enkele, niet onderbouwde stelling dat niet vaststaat dat de door de rechtbank genoemde negatieve gevolgen van het zonnepark zich zullen voordoen, naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd bestreden dat het leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief door de realisatie van het zonnepark zal worden aangetast. Gelet hierop volgt de Afdeling ook het betoog van Chint Solar dat de rechtbank om die reden ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2259, niet.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het project significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied "Veluwe". Dat de gevolgen voor de kwaliteit van het leefgebied van de boomleeuwerik gelet op de beperkte mate van geschiktheid van de akkerpercelen volgens het STAB-verslag beperkt zijn, zoals Chint Solar op zich terecht stelt, doet er niet aan af dat de gevolgen van het zonnepark alleen al door het verlies van omvang van geschikt leefgebied van de boomleeuwerik en de wespendief significant kunnen zijn. Ook kan, anders dan Chint Solar veronderstelt, uit de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:682, niet worden afgeleid dat een afname van potentieel leefgebied alleen als negatief kan worden beoordeeld, wanneer voor de betrokken soort een uitbreidingsdoelstelling geldt voor zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied.

9.5.    De rechtbank is daarom op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het college de door Chint Solar gevraagde  natuurvergunning voor haar zonnepark terecht heeft geweigerd.

Het betoog slaagt niet.

Overschrijding van de redelijke termijn

10.     In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders, omdat de Afdeling het onderzoek op 18 december 2023 heeft gesloten. Er was toen nog geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor Chint Solar ook geen reden was daarover te klagen. Daarom beoordeelt de Afdeling wegens de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve of de redelijke termijn is overschreden en beoordeelt zij ambtshalve of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend

10.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken zonder een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van het indienen van het beroepschrift in eerste aanleg. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter die beslist op het verzoek om schadevergoeding, uitspraak doet over het geschil dat de belanghebbenden en het bestuursorgaan verdeeld houdt. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden, als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook ten hoogste twee jaar mag duren.

10.2.  De redelijke termijn is gestart met het indienen van het beroepschrift door Chint Solar bij de rechtbank op 10 april 2020. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn met één maand en vijf dagen overschreden. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de Afdeling. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de Afdeling de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 500,00 als vergoeding voor door Chint Solar geleden immateriële schade.

Conclusie en proceskosten

11.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Chint Solar een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.

w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vollaers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

880