Uitspraak 202201520/1/R3


Volledige tekst

202201520/1/R3.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Wassenaar,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 in zaak nr. 20/7450 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2020 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het lozen van verontreinigd water in een watergang en de werking/ligging van een duiker bij het tennispark "De Oude Eik" aan het Ammonslaantje te Wassenaar.

Bij besluit van 15 augustus 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024, waar [appellante], vergezeld van [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.W. ten Heuw, zijn verschenen. Voorts is ter zitting tennispark "De Oude Eik", vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Waterwet is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving ziet op de Waterwet en is gedaan op 24 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het tennispark "De Oude Eik" (hierna: het tennispark) zijn twee padelbanen aangelegd. Het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar heeft hiervoor aan [gemachtigde B] bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746, onherroepelijk.

3.       [appellante] woont op het perceel [locatie] in Wassenaar. De achtertuin van dit perceel grenst aan de padelbanen. Tussen de padelbanen en het perceel van [appellante] ligt een sloot.

4.       [appellante] heeft diverse handhavingsverzoeken ingediend. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek van 24 februari 2020 over het lozen van verontreinigd water in de sloot en de werking van een duiker in die sloot.

Het college heeft geweigerd tegen deze werkzaamheden handhavend op treden, omdat volgens hem geen sprake is van een overtreding. [appellante] is het hier niet mee eens.

Relevante regelgeving

5.       Artikel 6.1 van de Waterwet luidt:

"In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

lozen: brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk;

[…]."

Artikel 6.2 luidt:

"1. Het is verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij:

a. […];

b. daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur;

[…]."

Artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt:

"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

lozen: het brengen van:

1° stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam;

[…]."

Artikel 3.2 luidt:

"1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde:

[…].

Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met tiende lid.

[..].

3. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien:

a. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 50 milligram per liter bedraagt; en

b. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.

4. […]."

Artikel 2.3.1 van de Keur 2020 luidde ten tijde van belang:

"1. Voor zover dit niet bij of krachtens een legger of een vergunning is geregeld, dan wel op andere wijze is vastgelegd in een overeenkomst of overdrachtsdocument, geldt voor de onderhoudsplicht van werken dat onderhoudsplichtig zijn degenen die kadastraal bekendstaan als eigenaar van het perceel waarin het werk is gelegen.

2. De onderhoudsplichtigen zijn verplicht het werk in goede staat te houden.

3. […]."

Beoordeling van het hoger beroep

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er sprake is van een lozing van verontreinigd water in de watergang, waartegen het college handhavend had moeten optreden. Volgens haar moet het verontreinigd water afkomstig zijn van de padelbanen. Door het schuimbeton onder die banen komt er uitloging in het water, waardoor het water wit kleurt. Ook als de verontreiniging veroorzaakt wordt door iets anders dan uitloging, moet het college daartegen optreden, aldus [appellante].

6.1.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. Volgens het college blijkt uit een watermonster, genomen in juli 2020, dat het aangetroffen gehalte aan onopgeloste stoffen slechts 12 mg/l bedraagt. Het college gaat er hierbij van uit dat de onopgeloste stoffen zanddeeltjes zijn. Volgens het college voert de drainagebuis die in de sloot uitkomt gedraineerd water van een aantal tennisbanen af. Het is volgens het college niet mogelijk dat het geloosd drainagewater afkomstig is van de padelbanen, omdat het water onder de padelbanen naar een grindkoffer ten noorden van de banen wordt geleid waar het water in de bodem zakt.

6.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de drainagebuizen onder de tennisbanen afwateren op de sloot tussen het perceel van [appellante] en het tennispark. Het water onder de padelbanen wordt naar een ingegraven grindkoffer geleid, die niet afwatert op die sloot. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de door [appellante] bedoelde uitloging van het beton onder de padelbanen geen sprake kan zijn.

De Afdeling is voorts van oordeel dat, gelet op het aangetroffen gehalte aan onopgeloste deeltjes, het college zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet geen sprake is.

Het betoog slaagt niet.

7.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden, omdat het tennispark de onderhoudsverplichtingen uit de Keur niet nakomt. Zij wijst er in dit verband op dat de duiker die de vijver en sloot met elkaar verbindt ter hoogte van het perceel van het tennispark onder water staat. Door alle hekwerken er omheen kan die duiker niet worden onderhouden, aldus [appellante].

7.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de duiker alleen de algemene onderhoudsplicht van artikel 2.3.1 van de Keur geldt. Volgens het college hindert de ligging van de duiker de werking van het watersysteem niet en functioneert deze naar behoren. Er is dan ook geen reden aan te nemen dat niet aan de onderhoudsplicht wordt voldaan en sprake is van een overtreding.

7.2.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Dat bijvoorbeeld hekken rondom het terrein van de tennisvereniging het onderhoud bemoeilijken, heeft het college niet van belang hoeven achten, zolang aan de onderhoudsplicht wordt voldaan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

473