Uitspraak 202201521/1/R3


Volledige tekst

202201521/1/R3.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Wassenaar,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 in zaak nr. 20/230 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2019 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het bouwen van een damwand in een sloot ten behoeve van de aanleg van padelbanen op het tennispark "De Oude Eik" aan het Ammonslaantje te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 juli 2019 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het ophogen van het perceel.

Bij besluit van 5 december 2019 heeft het college het door [appellante] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024, waar [appellante], vergezeld van [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door J.F. Klein en K. Fictoor, zijn verschenen. Voorts is ter zitting tennispark De Oude Eik, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

De verzoeken om handhaving van de Wabo zijn gedaan op 30 juni 2019 en 18 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het tennispark "De Oude Eik" (hierna: het tennispark) zijn twee padelbanen aangelegd. Het college heeft hiervoor aan [gemachtigde B] bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746, onherroepelijk.

3.       [appellante] woont op het perceel [locatie] in Wassenaar. De achtertuin van dit perceel grenst aan de padelbanen.

4.       [appellante] heeft diverse handhavingsverzoeken ingediend Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoeken van 30 juni 2019 en 18 juli 2019.

Op 30 juni 2019 heeft [appellante] het college verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning plaatsen van damwanden in de sloot tussen haar perceel en dat van het tennispark. Bij besluit van 5 juli 2019 heeft het college geweigerd hiertegen handhavend op te treden.

Op 18 juli 2019 heeft zij het college verzocht om handhavend op te treden tegen het ophogen van gronden. Bij besluit van 23 juli 2019 heeft het college geweigerd hiertegen handhavend op te treden.

[appellante] is het hier niet mee eens en heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Het college heeft die bezwaren in het besluit van 5 december 2019 ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het plaatsen van betonnen damwanden geen omgevingsvergunning nodig is. Zij voert in dit verband aan dat de rechtbank enerzijds heeft vastgesteld dat de bestaande houten beschoeiing en de damwand dezelfde functie hebben en één geheel vormen, en sprake is van een keerwand, maar anderzijds, en ten onrechte, heeft overwogen dat de hoogte van die keerwand niet vanaf de waterbodem, maar vanaf het aangrenzend terrein moet worden gemeten. Zij wijst erop dat, omdat de damwand met de houten beschoeiing één geheel vormt, deze keerwand dus grenst aan het water, en de hoogte gemeten moet vanaf de bodem van de sloot.

5.1.    Tussen het perceel van [appellante] en het perceel van het tennispark ligt een sloot. De erfgrens loopt door deze sloot. Aan de kant van het perceel van [appellante] is er sprake van een natuurlijke, aflopende oever. Aan de kant van het perceel van het tennispark is in 2004 een houten beschoeiing geplaatst. Hiervoor heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland bij besluit van 26 mei 2004 aan [gemachtigde B] een vergunning op grond van Rijnlands Keur verleend.

Het tennispark heeft in 2019 een betonnen damwand geplaatst. Deze damwand wordt in deze procedure ook wel keerwand genoemd. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [appellante] heeft een toezichthouder van de gemeente op 2 juli 2019 het perceel van het tennispark bezocht. Hij heeft geconstateerd dat er op het perceel, achter de bestaande houten beschoeiing, grond is weggegraven voor het plaatsen van betonnen L-profielen. Deze L-profielen hebben een hoogte van 1 m.

5.2.    Het college heeft zich op basis van het controlerapport op het standpunt gesteld dat er sprake is van een betonnen damwand, bedoeld voor het overbruggen van hoogteverschillen op het terrein. De betonnen damwand en de houten beschoeiing vormen samen niet één geheel. De damwand grenst dus niet aan het water, wat betekent dat de hoogte van de constructie niet vanaf de waterbodem moet worden gemeten, maar vanaf het aangrenzend terrein. Omdat de damwand niet hoger is dan 1 m en de afgewerkte gekeerde grond gelijk ligt met de bovenrand van de damwand, voldoet de constructie volgens het college aan de eisen van artikel 2, aanhef en onderdeel 13, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en is deze omgevingsvergunningvrij.

5.3.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 13, van bijlage II van het Bor is het bouwen van een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein, omgevingsvergunningvrij. In de nota van toelichting (Stb. 2010, 143, p. 151) staat dat, gemeten vanaf het niveau waar de grond het laagst is, de keermuur niet hoger mag zijn dan 1 m. Indien sprake is van een kademuur naar een water dient ook het grondpeil (de bodem van de rivier, sloot of andere watergang) te worden aangehouden. Verder geldt dat de keermuur niet boven de grond van het hoogst gelegen terreingedeelte mag uitsteken.

5.4.    Voordat de Afdeling toekomt aan de beoordeling van de vraag of de damwanden omgevingsvergunningvrij mochten worden geplaatst, overweegt zij nog het volgende.

Uit de beschrijving van de constructie in het controlerapport, de daarbij gevoegde foto's en de door [appellante] overgelegde foto's blijkt dat de bestaande houten beschoeiing grenst aan het water. De betonnen damwand is, bezien vanaf het water, geplaatst áchter deze houten beschoeiing. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De Afdeling gaat er daarom van uit dat, daar waar in het advies van de Commissie bezwaarschriften Gemeente Wassenaar, waar het college in zijn besluit op bezwaar naar heeft verwezen, staat dat de commissie constateert dat niet in geschil is dat de keerwand is geplaatst tussen de bestaande beschoeiing en het water, dit een verschrijving is. De rechtbank heeft die verschrijving ten onrechte in de aangevallen uitspraak bij de weergave van het standpunt van het college overgenomen.

In de aangevallen uitspraak staat voorts bij de weergave van het standpunt van het college dat het college zich op het standpunt stelt dat de houten beschoeiing en de keerwand niet één geheel vormen, zodat vast staat dat de keerwand niet aan het water grenst en de hoogte daarom niet vanaf de waterbodem, maar vanaf het aangrenzend terrein moet worden gemeten. Dit standpunt staat ook in het besluit op bezwaar. De Afdeling gaat er daarom van uit dat, daar waar de rechtbank concludeert dat het college ervan uitgaat dat de beschoeiing samen met de damwand dezelfde functie heeft en dus één geheel is, dit ook als een verschrijving moet worden aangemerkt. Dit blijkt ook uit het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt namelijk dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de hoogte van de keerwand niet vanaf de waterbodem, maar vanaf het aangrenzende terrein dient te worden gemeten.

5.5.    De achter de houten beschoeiing geplaatste damwand staat op het land. Er bevindt zich enige ruimte tussen de houten beschoeiing en de damwand. De damwand is niet met de houden beschoeiing verbonden en ze vormen naar het oordeel van de Afdeling niet één geheel. Dit betekent dat de damwand niet aan het water grenst en de hoogte ervan niet vanaf de waterbodem moet worden gemeten, maar vanaf het aangrenzend terrein. Niet in geschil is dat de damwand, gemeten vanaf het aangrenzend terrein niet hoger is dan 1 m en ook niet uitsteekt boven de grond van het hoogst gelegen terreingedeelte dat wordt gekeerd. Het plaatsen van de damwand valt daarom onder artikel 2, aanhef en onderdeel 13, van bijlage II van het Bor en daarvoor is daarom geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo nodig.

Het betoog slaagt niet.

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de grond naast de damwand met 40 cm is opgehoogd. Zij voert aan dat, gelet op de op de gronden rustende archeologische bestemming het ophogen van de grond omgevingsvergunningplichtig is, terwijl voor deze werkzaamheden geen omgevingsvergunning is verleend.

6.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel niet is opgehoogd. Volgens het college heeft [gemachtigde B], nadat in 2015 een omgevingsvergunning voor de aanleg van de padelbanen was verleend, een start gemaakt met de werkzaamheden. Er zijn toen graszoden afgegraven, waarna er geen sprake meer was van een aflopend talud tot aan de bovenkant van de houten beschoeiing. [gemachtigde B] heeft de werkzaamheden gestaakt na vernietiging van de in 2015 verleende vergunning. Hij heeft de werkzaamheden weer voortgezet na de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 over de in 2017 en 2018 opnieuw verleende omgevingsvergunning. Bij die werkzaamheden is volgens het college het hoogteverschil als gevolg van de ontgraving teruggebracht. Dit hoogteverschil wordt achter de bestaande beschoeiing opgevangen door de betonnen damwand.

6.2.    Uit de beschrijving van de situatie ter plaatse in het rapport van de toezichthouder van 22 juli 2019, dat als bijlage bij het besluit van 23 juli 2019 is gevoegd, volgt dat in de bestaande situatie het perceel afliep naar de houten beschoeiing. Dat aflopende talud is ook te zien op de door [appellante] overgelegde foto. [appellante] heeft dit niet bestreden. Het college heeft op de zitting toegelicht dat tijdens de werkzaamheden in 2015 de grond op het perceel is afgegraven tot een hoogte gelijk aan de bovenkant van de houten beschoeiing en daarna weer is aangevuld tot de hoogte waarop deze nu ligt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de grond zonder de benodigde omgevingsvergunning is opgehoogd en voor het college een bevoegdheid bestond om handhavend op te treden.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

473