Uitspraak 202201517/1/R3


Volledige tekst

202201517/1/R3.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], wonend te Wassenaar,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 in zaak nr. 20/6337 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen verschillende activiteiten op het tennispark "De Oude Eik" aan het Ammonslaantje te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 juli 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2022 heeft de rechtbank het door

[appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024, waar [appellante], vergezeld van [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door J.F. Klein en K. Fictoor, zijn verschenen. Voorts is ter zitting tennispark "De Oude Eik", vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 14 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het tennispark "De Oude Eik" (hierna: het tennispark) zijn twee padelbanen aangelegd. Het college heeft hiervoor aan Kraal bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746, onherroepelijk.

3.       [appellante] woont op het perceel [locatie] in Wassenaar. De achtertuin van dit perceel grenst aan de padelbanen.

4.       [appellante] heeft diverse handhavingsverzoeken ingediend Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoek van 14 februari 2020. Dit verzoek is opgesplitst in twee delen. Het deel van het verzoek dat gaat over de door [appellante] ondervonden licht- en geluidsoverlast is onderdeel van het geschil in zaak nr. 202300725/1/R3. Deze uitspraak gaat over het verzoek voor zover daarin is verzocht om handhavend op te treden tegen het in afwijking van de verleende omgevingsvergunning storten van M3C zand en plaatsen van wanden van gehard glas, tegen de plaatsing van sponsorplaten aan de voet van de wanden van de padelbanen en tegen de door [appellante] ondervonden intimidatie, overlast en schending van privacy.

Het college heeft geweigerd handhavend op treden, omdat volgens hem geen sprake is van een overtreding. [appellante] is het hier niet mee eens.

Beoordeling van het hoger beroep

5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden, omdat na het afgraven van grond ten behoeve van de padelbanen M3C zand is gestort, terwijl het aanwezige zand zou worden teruggestort. Zij wijst er in dit verband op dat de hardheid van M3C zand anders is dan het aanwezige zand.

5.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond is om handhavend op te treden. Volgens het college was het aan [gemachtigde B] om bij de uitvoering van het bouwplan zelf het type zand te kiezen. M3C zand heeft geen eigenschappen die afwijken van normaal schoon zand en hebben als meerwaarde dat dit zorgt voor een betere verdichting en stabiliteit. Op de zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat aan de omgevingsvergunning geen voorschrift is verbonden over het te gebruiken soort zand.

5.2.    [gemachtigde B] heeft op 22 september 2015 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van twee padelbanen ingediend. In de aanvulling van de aanvraag van 25 november 2015 en het bij de aanvraag behorende rapport 'Ammonslaantje 37, Wassenaar, Gemeente Wassenaar' van november 2017 van IDDS Archeologie, is een nadere omschrijving van de padelbanen opgenomen. De ondergrond van de padelbanen zou bestaan uit lavasintels met daarop een kunstgrasmat. Onder de lavasintels zou zand komen te liggen. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, verleend. Niet in geschil is dat [gemachtigde B] bij de aanleg van de padelbanen, na het afgraven van de grond, M3C zand heeft gestort.

De Afdeling stelt vast dat in de bij de aanvraag uit 2015 behorende stukken geen specifiek type zand is genoemd en dat in de besluiten van 24 oktober 2017 en 8 maart 2018 geen specifiek te gebruiken type zand is voorgeschreven. Naar het oordeel van de Afdeling is van handelen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning geen sprake. Het college was alleen al daarom niet bevoegd om handhavend op te treden.

Het betoog slaagt niet.

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden tegen het toepassen van gehard glas voor de wanden in plaats van het vergunde acryl.

6.1.    Op het in 2015 ingediende aanvraagformulier is vermeld dat de achterwand en een klein stuk van de zijwand van glas zijn. In de aanvulling van de aanvraag van 25 november 2015 is vermeld dat de beide padelbanen worden uitgevoerd overeenkomstig de bij die aanvulling gevoegde technische specificaties van twee typen padelbanen. Daarin staat dat de wanden van de banen worden uitgevoerd in glas. Zoals hiervoor al staat, is de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Door de wanden uit te voeren in glas heeft [gemachtigde B] dus uitvoering gegeven aan de verleende vergunning en niet gehandeld in afwijking van die vergunning. Dat [gemachtigde B] tijdens een zitting bij de rechtbank in de procedure over de verlening van de omgevingsvergunning heeft aangegeven dat hij wanden van acryl zal plaatsen, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, omdat de aanvraag op dit punt niet is gewijzigd. Dit betekent dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

Het betoog slaagt niet.

7.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden tegen het aanbrengen van sponsorplaten tegen de onderkant van wanden van de padelbanen. Zij voert aan dat in strijd met artikel 7.2, zesde lid, van de regels van het bestemmingsplan "Ammonslaantje-Maaldrift 2013" de wanden van de padelbanen niet langer minimaal 75% open zijn.

7.1.    Artikel 7.2, vijfde lid, van de planregels luidt:

"Overige bouwwerken:

Ten aanzien van de bouwhoogte van overige bouwwerken geldt dat:

a. de bouwhoogte van ballenvangers maximaal 15,00 meter mag bedragen;

b. de bouwhoogte van erfafscheidingen langs het sportveld maximaal 2 meter mag bedragen;

c. de bouwhoogte van toegangshekken maximaal 2,00 meter mag bedragen;

d. de bouwhoogte van de tribune maximaal 5,00 meter mag bedragen;

e. de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 10,00 meter mag bedragen;

f. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken maximaal 4,50 meter mag bedragen."

Het zesde lid luidt

"Erf- en terreinafscheidingen, ballenvangers en toegangshekken dienen vanaf de grond een open constructie te hebben, met dien verstande dat 75% van de verticale projectie open moet zijn."

7.2.    Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat geen sponsorplaten tegen de wanden zijn aangebracht, maar stickers met reclame-uitingen.

7.3.    Zoals ook de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 heeft overwogen, zijn de wanden van de padelbanen aan te merken als overige bouwwerken, als bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid, aanhef en onder f, van de planregels. Voor deze bouwwerken geldt niet de eis in artikel 7.2, zesde lid, van de planregels dat minimaal 75% van de verticale projectie open moet zijn. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat het betoog van [appellante] alleen al daarom niet kan slagen.

8.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden, omdat zij overlast ondervindt van intimidatie en ballen op haar perceel en omdat haar privacy wordt aangetast.

8.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat er ballen op het perceel van [appellante] belanden een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Als [appellante] geïntimideerd wordt, kan zij zich wenden tot de politie. Volgens het college bestaat geen bevoegdheid voor hem om daartegen handhavend op te treden. Wat betreft de gestelde schending van de privacy heeft het college van belang geacht dat de privacy van [appellante] bij de verlening van de omgevingsvergunning is meegewogen. Het college ziet daarom in het betoog dat de privacy wordt geschonden geen aanleiding om tot handhaving over te gaan.

8.2.    De rechtbank heeft overwogen dat, omdat de padelbanen direct grenzen aan het perceel van [appellante], overlast in de door haar bedoelde zin geenszins is uit te sluiten. Het college kan (en moet in beginsel) uitsluitend handhavend optreden indien sprake is van overtreding van één of meer wettelijke voorschriften of indien de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd. Volgens de rechtbank is van een dergelijke overtreding echter niet gebleken.

[appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling door de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

473