Uitspraak 202201516/1/R3


Volledige tekst

202201516/1/R3.
Datum uitspraak: 15 mei 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2022 in zaak nr. 20/3922 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen tennispark "De Oude Eik" wegens werkzaamheden in een sloot op het perceel Ammonslaantje te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 oktober 2019 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen tennispark "De Oude Eik" wegens werkzaamheden in een sloot op het perceel.

Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 27 augustus 2019 en 9 oktober 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024, waar [appellante], vergezeld van [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.W. ten Heuw, zijn verschenen. Voorts is ter zitting tennispark "De Oude Eik", vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Waterwet is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De verzoeken om handhaving zien op de Waterwet en zijn gedaan op 25 juli 2019 en 25 augustus 2019. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het tennispark "De Oude Eik" (hierna: het tennispark) zijn twee padelbanen aangelegd. Het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar heeft hiervoor aan [gemachtigde B] bij besluit van 24 oktober 2017, gewijzigd bij besluit van 8 maart 2018, een omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is sinds de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1746, onherroepelijk.

3.       [appellante] woont op het perceel [locatie] in Wassenaar. De achtertuin van dit perceel grenst aan de padelbanen. Tussen de padelbanen en het perceel van [appellante] ligt een sloot.

4.       [appellante] heeft diverse handhavingsverzoeken ingediend. Deze uitspraak gaat over de handhavingsverzoeken van 25 juli 2019 en 25 augustus 2019 over het verrichten van werkzaamheden in en nabij de sloot tussen het perceel van [appellante] en het tennispark.

Het college heeft geweigerd tegen deze werkzaamheden handhavend op treden, omdat volgens hem geen sprake is van een overtreding. [appellante] is het hier niet mee eens.

Relevante regelgeving

5.       Ten tijde van de besluitvorming gold de Keur Rijnland 2015.

Artikel 1.1 - Begripsomschrijvingen luidt:

"In deze Keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

[…];

103 verharding: de verharding als gevolg waarvan neerslag niet of zeer beperkt in de bodem kan infiltreren.

[…]."

Artikel 3.1 - Zorgplicht (ja, tenzij) luidt:

"1. Degene die handelingen, met uitzondering van de handelingen die zijn genoemd in artikel 3.2 lid 2, 3.3 lid 1 en 3.4 lid 1 van deze Keur, verricht of laat verrichten en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die handeling nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan of kunnen ontstaan, voorkomt die gevolgen of beperkt die, voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden verwacht.

[..]."

Artikel 3.2 - Algemene regels (ja, mits) luidt:

"1. Bij het verrichten van de in lid 2 van dit artikel bedoelde handelingen, wordt door degene die de handeling verricht of laat verrichten voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in een door het bestuur voor die handeling vast te stellen algemene regel.

2. Het is toegestaan om met inachtneming van het vorige lid de volgende handelingen in het watersysteem te verrichten of te laten verrichten:

[…];

g. Het versneld afvoeren van neerslag bij een toename van verhard oppervlak, wanneer deze toename meer dan 500 vierkante meter en minder dan 5.000 vierkante meter bedraagt.

[…]."

Beoordeling van het hoger beroep

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het tennispark heeft gehandeld in strijd met de op 26 mei 2004 verleende vergunning. Zij voert haar aan dat de sloot smaller is geworden dan volgens de vergunning is toegestaan. Zij wijst in dit verband op de betonnen damwanden die zijn geplaatst, waardoor er sprake is van ontoelaatbare demping.

6.1.    Het college heeft bij besluit van 26 mei 2004 een vergunning verleend aan [gemachtigde B] voor onder meer het plaatsen van een houten beschoeiing en het dempen van een deel van de sloot tussen zijn perceel en het perceel van [appellante]. Uit de bij het besluit behorende tekening blijkt dat de sloot in de bestaande situatie gemiddeld 2,00 m à 2,10 m breed was en na demping gemiddeld 1,60 m à 1,70 m zou worden.

6.2.    Het college heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de houten beschoeiing is geplaatst overeenkomstig de voorschriften van de in 2004 verleende vergunning en dat er in zoverre geen sprake is van een overtreding. Ter nadere onderbouwing hiervan heeft het college in hoger beroep gegevens overgelegd. Op de overgelegde afbeelding staat dat de huidige breedte van de sloot 1,68 m is.

Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door [appellante] bedoelde betonnen damwand is geplaatst achter de bestaande houten beschoeiing. Het plaatsen van de damwanden leidt volgens hem dus niet tot een verdere demping van de sloot.

6.3.    De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [gemachtigde B] niet in strijd met de in 2004 verleende vergunning voor het dempen van de sloot heeft gehandeld. De sloot is niet verder gedempt dan waarvoor in 2004 een vergunning is verleend. Daarbij betrekt zij dat [appellante] de juistheid van de informatie op de door het college overgelegde afbeelding niet heeft bestreden.

De Afdeling ziet met de rechtbank voorts in wat [appellante] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de sloot door het plaatsten van de damwanden niet verder is gedempt. Daarbij betrekt zij dat de damwanden áchter de in 2004 vergunde houten beschoeiing zijn geplaatst.

Het betoog slaagt niet.

7.       Het betoog van [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden, omdat zonder vergunning betonnen damwanden zijn geplaatst, slaagt niet. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het plaatsen van damwanden niet vergunningplichtig is op grond van de Keur. [appellante] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Er is daarom geen sprake van een overtreding waartegen het college handhavend had moeten optreden. De enkele stelling van [appellante] dat het plaatsen van de damwanden wel vergunningplichtig is, acht de Afdeling, net zoals de rechtbank, onvoldoende voor een ander oordeel.

8.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er zonder vergunning een grindkoffer, drainagebuizen en elektraleidingen zijn aangebracht. Zij wijst erop dat, ook al zou alleen de zorgplicht uit de Keur gelden, het college eraan voorbij is gegaan dat op de gronden een archeologische bestemming rust, waarmee de graafwerkzaamheden in strijd zijn.

8.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen van deze door [appellante] genoemde handelingen vergunningplichtig is op grond van de Keur. Evenmin zijn op deze handelingen algemene regels uit de Keur van toepassing. Wel geldt volgens het college de zorgplicht uit de Keur. Een ieder moet zich daaraan houden wanneer handelingen worden verricht die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem. Volgens het college zijn de werkzaamheden op het perceel van het tennispark geen handelingen die nadelige consequenties kunnen hebben voor het watersysteem.

8.2.    De Afdeling ziet met de rechtbank in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] genoemde handelingen niet vergunningplichtig zijn. De enkele stelling van [appellante] dat die handelingen wel vergunningplichtig zijn, is onvoldoende voor een ander oordeel. Voor zover [appellante] in dit verband aanvoert dat het graven in de grond voor het aanbrengen van onder meer de elektraleidingen en drainagebuizen in strijd is met de op het perceel rustende archeologische bestemming overweegt de Afdeling dat de vraag of graafwerkzaamheden in strijd zijn met de op de gronden rustende bestemming in deze procedure niet aan de orde kan komen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat er geen sprake is van werkzaamheden waartegen het college handhavend moest optreden.

Het betoog slaagt niet.

9.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de tennisvereniging niet aan haar plicht tot onderhoud van de sloot kan voldoen. Zij voert aan dat er op de damwanden hekken zijn geplaatst, die, anders dan de bedoeling was, niet demontabel zijn. De tennisvereniging kan het jaarlijks onderhoud niet meer uitvoeren.

9.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] en de tennisvereniging ieder voor hun deel van de watergang onderhoudsplichtig zijn. Het college zal toezien op de naleving daarvan. Het college heeft aangegeven dat het niet terzake doet hoe het onderhoud plaatsvindt en of daarvoor een hek moet worden gedemonteerd, zolang het jaarlijkse onderhoud maar plaatsvindt.

9.2.    De Afdeling ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Nu niet is gesteld dat niet aan de onderhoudsplicht wordt voldaan, is geen sprake van een overtreding waartegen het college handhavend had moeten optreden.

Het betoog slaagt niet.

10.     [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er meer dan 600 m² verharding is aangebracht die niet is gecompenseerd. Zij voert aan dat de ondergrond van de padelbanen bestaat uit schuimbeton, dat moet worden aangemerkt als half open verharding. Volgens [appellante] staat in de Keur over half open verharding dat deze zich bij regenval als verharding zal gedragen. Zij voert verder aan dat om de padelbanen een betonnen fundering voor de hekwerken en daarnaast bestrating is aangebracht. Ook dit moet als verharding worden meegeteld.

10.1.  Uit artikel 3.2, tweede lid, van de Keur, gelezen in samenhang met de in het eerste lid van dat artikel genoemde algemene regel volgt dat bij een toename aan verharding van meer dan 500 m² compenserend water moet worden aangelegd.

10.2.  Uit de stukken blijkt dat de padelbanen een oppervlakte hebben van 400 m². Rondom de padelbanen is bestrating aangebracht. De totale oppervlakte van het terrein is ruim 600 m².

10.3.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er op grond van de Keur geen compenserend water hoeft te worden gerealiseerd. Volgens het college bestaat de verharding onder de padelbanen uit waterdoorlatend schuimbeton, ook wel Supersub genoemd. Daaronder is M3C zand aangebracht, wat bestaat uit grove korrels doorlatend zand. Daaronder bevindt zich de bestaande ondergrond. Het regenwater spoelt volgens het college niet versneld af, maar wordt in een grindkoffer in de bodem geloosd. In zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep heeft het college daaraan toegevoegd dat uit de definitie van verharding uit de Keur blijkt dat het moet gaan om verharding als gevolg waarvan neerslag niet of zeer beperkt in de bodem kan infiltreren. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat de gebruikte verharding waterdoorlatend is en hemelwater in de bodem kan infiltreren. Het college wijst erop dat het aangebrachte schuimbeton is samengesteld uit cement, water, lucht en schuimmiddel. Dit luchtige materiaal is volgens het college dermate waterdoorlatend dat hemelwater infiltreert in de bodem.

10.4.  De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruikte schuimbeton voor de padelbanen niet kan worden aangemerkt als verharding in de zin van de Keur. Gelet op de definitie van verharding in artikel 1.1, onder 103, van de Keur is van belang hoe de verharding zich gedraagt bij regenval. Er is pas sprake van verharding in de zin van de Keur wanneer als gevolg van de verharding neerslag niet of zeer beperkt in de bodem kan infiltreren. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat neerslag op de padelbanen niet versneld wordt afgevoerd, maar in de bodem kan infiltreren. De vergelijking die [appellante] maakt met grastegels, die in de Keur als half open verharding worden aangemerkt en zich bij hevige regenval gedragen als volledige verharding gaat naar het oordeel van de Afdeling niet op. De Afdeling betrekt hierbij de door het college op de zitting gegeven toelichting. Volgens het college zijn grastegels in feite tegels met gaten erin, waar gras doorheen kan groeien. Het water kan bij regenval niet zo snel door die gaten in de bodem infiltreren. Dat is bij schuimbeton anders. Ook bij hevige regenval laat volgens het college schuinbeton water door.

10.5.  Gelet op het voorgaande, is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, omdat het schuimbeton onder de padelbanen niet kan worden aangemerkt als verharding in de zin van de Keur, de oppervlakte van de padelbanen niet hoeft te worden meegeteld bij de beantwoording van de vraag hoeveel verharding is aangebracht. Aangezien minder dan 500 m² aan verharding in de zin van de Keur is aangebracht, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er op grond van de Keur geen verplichting bestaat om compenserend water aan te leggen.

Het betoog slaagt niet.

11.     [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handhavend had moeten optreden tegen het zonder vergunning gebruiken van oppervlaktewater voor het aanbrengen van verharding. Hoewel niet in geschil is dat er water uit een sloot is gebruikt voor de aanleg van de padelbanen, valt deze handeling niet onder de vergunningplicht of een algemene regel van de Keur. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen nadelige effecten voor het watersysteem zijn ontstaan en de zorgplicht daarom niet is geschonden. [appellante] heeft niet onderbouwd dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat er geen sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend had moeten optreden.

Conclusie

12.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

13.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024

473