Uitspraak 202102374/1/R4 en 202102602/1/R4


Volledige tekst

202102374/1/R4 en 202102602/1/R4.
Datum uitspraak: 10 april 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

Manege Sneek B.V., gevestigd te Hindeloopen, gemeente Súdwest-Fryslân,
appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 25 juni 2020, heeft het college Manege Sneek, onder oplegging van een dwangsom van € 100.000,00 ineens, gelast de met drugsgerelateerde stoffen verontreinigde mest en/of het digestaat (hierna: de mest) op het perceel aan de Wirdsterterp 2 in Wânswert (hierna: het perceel) niet te verplaatsen of zich daarvan te ontdoen door deze buiten een inrichting te storten, op of in de bodem te brengen of te verbranden.

Bij besluit van 2 november 2020 heeft het college Manege Sneek, onder oplegging van een dwangsom van € 450.000,00 ineens, gelast om voor 14 december 2020 de mest door een erkende verwerker te laten verwijderen en verwijderd te houden van het perceel.

Bij besluit van 2 maart 2021 heeft het college het besluit van 25 juni 2020 in stand gelaten.

Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college het besluit van 2 november 2020 in stand gelaten.

Tegen deze besluiten heeft Manege Sneek beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en Manege Sneek hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 6 december 2023, waar Manege Sneek, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door M. Vriesema en E. Mattiesing, zijn verschenen. De zaken zijn ter zitting gevoegd.

Overwegingen

Inleiding

1.       Manege Sneek is de eigenaar van het perceel en heeft op enig moment de woning op het perceel verhuurd aan een derde. Op 13 februari 2020 is in deze woning een drugslaboratorium aangetroffen en beëindigd door de politie. Volgens het college zijn hierna drugsgerelateerde stoffen, in het bijzonder amfetamine en methamfetamine, aangetroffen in de mest die zich bevindt in de drie mestkelders op het perceel. Het college heeft Manage Sneek eerst gelast om de mest niet te verplaatsen of zich daarvan te ontdoen door deze buiten een inrichting te storten, op of in de bodem te brengen of te verbranden. Vervolgens heeft het college Manege Sneek gelast de mest te laten verwijderen door een erkende verwerker.

2.       De relevante wettelijke bepalingen, zoals die golden ten tijde van het nemen van de besluiten, zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Niet-tijdig beslissen

3.       Manege Sneek heeft haar beroep tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 2 november 2020, ter zitting ingetrokken.

Is er sprake van een overtreding?

4.       Manege Sneek betoogt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, zodat het college geen lasten onder dwangsom mag opleggen. Zij stelt in dit verband dat niet is aangetoond dat de mest is vermengd met drugs, althans dat niet is aangetoond dat de mest hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In dit kader wijst zij op analyserapporten van Nutrilab van 9 en 24 februari 2021, waarin staat dat er geen amfetamine of methamfetamine is aangetroffen in de mest. Ook betoogt Manage Sneek dat niet elke verontreiniging van mest met niet-eigen stoffen als amfetamine en methamfetamine meteen maakt dat deze mest een afvalstof is en niet als mest mag worden toegepast.

4.1.    Het college heeft aan beide lasten een overtreding van artikel 10.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer ten grondslag gelegd. De enkele aanwezigheid van drugs in de mest maakt volgens het college al dat de mest moet worden aangemerkt als afvalstof zoals bedoeld in die bepaling. Het college verwijst naar verschillende analyserapporten, namelijk een van Wageningen Food Safety Research van 16 juni 2020, twee van Milieuadviesbureau Hopman en Peters van 24 september 2020 en van 17 juni 2021, en een van Antea Group van 17 september 2020. In al deze rapporten staat dat amfetamine en methamfetamine in de mest is aangetroffen.

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat mest op zichzelf een afvalstof kan zijn zoals omschreven in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Maar als bij of krachtens de Meststoffenwet voorschriften zijn gesteld voor gedragingen met meststoffen, is hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer daarop niet van toepassing. Dat volgt uit artikel 22.1, negende lid, van de Wet milieubeheer. Als de op het perceel aantroffen mest dus onder de Meststoffenwet valt en via de regels van die wet mag worden toegepast, had het college niet op grond van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer mogen handhaven.

In artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet is gedefinieerd wat mest in de zin van de Meststoffenwet is. Dat zijn dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming. Dierlijke meststoffen worden in dat artikel nader gedefinieerd als uitwerpselen van voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpselen, alsook producten daarvan. Op grond van artikel 5, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mogen meststoffen, om als zodanig te gelden, niet zijn vermengd met afval- of reststoffen, tenzij die stoffen zijn aangewezen krachtens het tweede lid van die bepaling. Amfetamine en methamfetamine zijn dat niet. Als de op het perceel aangetroffen mest dus is vermengd met amfetamine en methamfetamine, is deze mest geen mest meer als bedoeld in de Meststoffenwet en mag deze mest niet via de regels van die wet worden toegepast en is hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer, waaronder artikel 10.1, van deze wet, op deze mest van toepassing.

Op basis van de genoemde rapporten acht de Afdeling het aannemelijk dat de mest amfetamine en methamfetamine bevat. De door Manege Sneek genoemde rapporten van Nutrilab geven geen aanleiding om te twijfelen aan de resultaten van de andere analyserapporten, alleen al omdat de detectielimiet van de analyses van Nutrilab vele malen hoger ligt dan die van de andere onderzoeksbureaus. Verder is aannemelijk dat de amfetamine en methamfetamine later in de mest terecht is gekomen en dus met die mest is vermengd, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Amfetamine en methamfetamine staan bovendien op Lijst I bij de Opiumwet. Op grond van artikel 2 van die wet is onder meer het bereiden, verwerken, verkopen en aanwezig hebben van die stoffen, verboden. De Afdeling concludeert hieruit dat men zich van die stoffen moet ontdoen, zodat amfetamine en methamfetamine op zichzelf afvalstoffen zijn in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De op het perceel aangetroffen mest is dus vermengd met afvalstoffen en kan daarom niet meer worden aangemerkt als meststoffen in de zin van de Meststoffenwet. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de op het perceel aangetroffen mest als afvalstof in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer moet worden aangemerkt en onder het toepassingsbereik van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer valt.

De Afdeling is verder ook van oordeel dat de aanwezigheid van die afvalstof in de mestkelders nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Mest kan op zichzelf namelijk al nadelige gevolgen hebben voor het milieu, dus ongeacht of en hoeveel amfetamine en methamfetamine er in de mest zit. Aannemelijk is in deze zaak bovendien dat de mestkelders in slechte staat zijn, zodat een risico bestaat op lekkage van de mest naar de bodem en het grondwater. Dergelijke lekkages zijn door het Wetterskip Fryslân ook al vastgesteld, blijkens een brief van het Wetterskip van 21 mei 2021.

Het college heeft in de aanwezigheid van de verontreinigde mest in de mestkelders daarom terecht een overtreding van artikel 10.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer gezien.

Het betoog slaagt niet.

Is Manege Sneek overtreder?

5.       Manege Sneek betoogt verder dat zij niet kan worden aangemerkt als overtreder. Zij was niet verantwoordelijk voor het drugslaboratorium dat op het perceel is aangetroffen en had ook niet kunnen weten dat dat laboratorium daar was ingericht, zo stelt zij.

5.1.    De stelling van Manege Sneek dat zij niet betrokken is geweest bij het drugslaboratorium op het perceel, maakt niet dat zij geen overtreder kan zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4142, is het op grond van sommige wettelijke bepalingen onder bepaalde omstandigheden ook verboden om niets te doen. Op grond van artikel 10.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer is een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Manege Sneek is eigenaar van het perceel. In de door het college overgelegde bestuurlijke rapportage van de politie van 15 april 2021 staat dat op enig moment, waarschijnlijk in november of december 2019, een drugslaboratorium is ingericht in de woning op het perceel. In december 2019 of januari 2020 heeft Manege Sneek een deel van het perceel, waaronder die woning, verhuurd aan een derde. Manege Sneek wist dat de huurder het perceel niet zou gebruiken voor agrarische activiteiten (in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan), aangezien dat in de huurovereenkomst staat. Zij heeft niet gecontroleerd, of laten controleren, waarvoor het perceel dan wel werd gebruikt. Dit terwijl algemeen bekend is dat relatief geïsoleerd gelegen boerderijen, zoals die op het perceel, met regelmaat worden gebruikt voor de productie van drugs. Uit de genoemde bestuurlijke rapportage van de politie blijkt dat verschillende goederen en stoffen die werden gebruikt in het drugslaboratorium prominent aanwezig waren in de woning, zodat Manege Sneek die bij een controle daarvan hoogstwaarschijnlijk zou hebben aangetroffen. Zij heeft verder de huurder geen uittreksel gevraagd van de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Manege Sneek heeft dus minder toezicht gehouden op het gebruik van het perceel dan van haar mocht worden verwacht. De Afdeling neemt daarbij nog in aanmerking dat de uitleg van Manege Sneek over de gang van zaken tussen november 2019 en februari 2020 ter zitting van de Afdeling, niet consistent is met de overige informatie in het dossier, waaronder de verklaring van de eigenaar van Manege Sneek zoals die is weergegeven in de bestuurlijke rapportage van de politie. Manege Sneek had dus redelijkerwijs kunnen weten dat nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan en had daarom niet mogen nalaten om maatregelen te treffen om daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of beperken. Omdat zij dat wel heeft nagelaten, is zij overtreder van artikel 10.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Het betoog slaagt niet.

Sluiten de lasten elkaar uit?

6.       Manege Sneek betoogt dat de twee lasten elkaar uitsluiten. Zij stelt dat de eerste last inhoudt dat zij de mest niet van het perceel mag verwijderen, en de tweede dat zij de mest juist moet verwijderen. Die lasten kunnen volgens haar niet naast elkaar bestaan.

6.1.    De last van 25 juni 2020 luidt: "Wij verplichten u om - overeenkomstig de artikelen 10.1, 10.2, eerste lid en artikel 10.37 eerste lid van de Wet milieubeheer - de met drugs-gerelateerde stoffen verontreinigde mest en/of digestaat op de locatie aan de Wirdsterterp 2 te Wanswert niet te verplaatsen of u van deze mest en/of digestaat, welke wordt gezien als een afvalstof, te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Dit geldt ook voor de mest en/of digestaat in de mestkelder onder de meest noordelijk gelegen stal, wel te verstaan de oudere ligboxenstal op het desbetreffende perceel, waarbij uit de eerste analyseresultaten van 16 juni 2020 geen verontreiniging is vastgesteld."

De last van 2 november 2020 luidt: "Wij gelasten uw cliënt daarom om vóór 14 december 2020 alle verontreinigde mest en/of digestaat die thans in de mestkelders op het perceel Wirdsterterp 2 te Wanswert ligt opgeslagen van het perceel te laten verwijderen en verwijderd te houden. Het leeghalen van de mestkelders, de afvoer en de verwerking van de verontreinigde mest en/of digestaat moet worden uitgevoerd door een daartoe erkende afvalverwerker."

Deze twee lasten sluiten elkaar niet uit. De eerste last tracht de situatie in afwachting van verder onderzoek te bevriezen om verdere nadelige gevolgen voor het milieu te beperken. Deze eerste last zegt nog niets over of en zo ja hoe de mest moet worden verwijderd. Daar gaat de tweede last over. Die geeft aan dat en op welke wijze de mest moet worden verwijderd. De lasten zijn dus niet tegenstrijdig, maar complementair.

Het betoog slaagt niet.

Zijn de dwangsommen te hoog?

7.       Manege Sneek betoogt tot slot dat de dwangsommen disproportioneel hoog zijn, aangezien zij failliet zou gaan als zij de dwangsommen daadwerkelijk zou moeten betalen. Het college kan volgens haar bij de onderbouwing van de dwangsom niet volstaan met een berekening van het financieel voordeel dat zij zou behalen als zij de mest zou uitrijden.

7.1.    Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

In het besluit dat is verzonden op 25 juni 2020 en het besluit van 20 april 2021 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de dwangsommen van respectievelijk € 100.000,00 en € 450.000,00 in een redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de overtreding en de beoogde werking van de twee lasten onder dwangsom. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsommen is het college uitgegaan van de kosten van een legale afvoer van de mest. Volgens de berekening van het college liggen die kosten tussen € 297.720,00 en € 396.000,00. Manege Sneek heeft deze berekening niet bestreden. De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee de hoogte van de dwangsommen deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de dwangsommen, gelet op de te verwachten afvoer- en verwerkingskosten, niet onevenredig hoog zijn. Bij een lager bedrag zou geen voldoende prikkel uitgaan van de lasten. Dat Manege Sneek zich de dwangsommen niet zou kunnen veroorloven, wat daarvan ook zij, doet daarbij niet ter zake. Bij vaststelling van de hoogte van een dwangsom hoeft geen rekening gehouden te worden met de financiële draagkracht van de overtreder.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8.       De beroepen zijn ongegrond.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden voor de behandeling van de beroepen.

Overschrijding redelijke termijn

10.     Manege Sneek heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

10.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren.

10.2.  In dit geval wordt schadevergoeding verzocht voor meerdere procedures van één belanghebbende. De zaak met nr. 202102374/1/R4 en de zaak met nr. 202102602/1/R4 gaan in wezen over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door de tweede procedure extra spanning en frustratie bij Manege Sneek is veroorzaakt. Dat betekent dat in één procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden, en dat voor de twee zaken samen slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding wordt gehanteerd. Vergelijk hiertoe onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1320, onder 4.3, en de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2.

10.3.  De redelijke termijn in de zaak met nr. 202102374/1/R4 is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 4 augustus 2020. Met deze uitspraak van de Afdeling is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal ongeveer drie jaar en acht maanden heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer een jaar en acht maanden is overschreden.

10.4.  De volgende vraag die moet worden beantwoord, is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend.

10.5.  Het heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift in de zaak met nr. 202102374/1/R4 acht maanden geduurd voordat het college het besluit op bezwaar van 2 maart 2021 heeft genomen. De duur van een half jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het bezwaar, is daarmee met ongeveer twee maanden overschreden.

10.6.  Het heeft in de zaak met nr. 202102374/1/R4 vanaf de ontvangst van het tegen het besluit op bezwaar ingediende beroepschrift op 12 april 2021 ongeveer drie jaar geduurd voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan. De duur van anderhalf jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het beroep, is daarmee met ongeveer achttien maanden overschreden.

10.7.  Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 2/20 deel moet worden toegerekend aan het college en voor 18/20 deel aan de Afdeling.

10.8.  Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan Manege Sneek toe te kennen schadevergoeding € 2.000,00.

Omdat de overschrijding aan het college en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 200,00 en de Staat tot betaling van € 1.800,00 aan Manege Sneek als vergoeding voor door Manege Sneek geleden immateriële schade.

11.     Het college en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die Manege Sneek heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen ongegrond;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân om aan Manege Sneek B.V. te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 200,00;

IV.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Manege Sneek B.V. te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 1.800,00;

V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân tot vergoeding van bij Manege Sneek B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Manege Sneek B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 218,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Roessel
Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2024

457-860

Bijlage

Wet milieubeheer

Artikel 10.1

1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.

5. De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

Artikel 10.2

1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het zich ontdoen van afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10.37

1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

2. Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:

a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;

b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:

1°. krachtens hoofdstuk 8 of op grond van een omgevingsvergunning;

2°. op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste of tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;

3°. krachtens artikel 10.52;

4°. op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid;

c. die krachtens artikel 10.50 is vrijgesteld van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;

d. die op grond van een krachtens de Waterwet verleende vergunning bevoegd is de betrokken afvalstoffen te lozen, dan wel aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig te nemen met het oogmerk ze te lozen;

e. die krachtens de Waterwet bevoegd is afvalstoffen van de betrokken aard en samenstelling te brengen in oppervlaktewateren;

f. die in een ander land dan Nederland is gevestigd, en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 die afvalstoffen naar dat land brengt;

g. die krachtens artikel 10.55 bevoegd is de betrokken afvalstoffen te vervoeren of te verhandelen.

Artikel 22.1, negende lid

9. Artikel 9.5.2 en hoofdstuk 10 zijn niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens:

de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

de Wet voorkoming verontreiniging door schepen,

de hoofdstuk 3, paragraaf 3, van de Wet dieren,

de Meststoffenwet,

de Scheepvaartverkeerswet,

de artikelen 3.1, 3.3 tot en met 3.6, 6.4 en 7.1 van de Wet dieren met betrekking tot dierlijke bijproducten,

de Kernenergiewet,

de Waterwet,

behoudens voor zover uit de bepalingen van die wetten of van deze wet anders blijkt.

Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

Artikel 5

1.       Meststoffen, met uitzondering van zuiveringsslib, compost en herwonnen fosfaten, zijn niet geheel of gedeeltelijk geproduceerd uit afvalstoffen of uit reststoffen, tenzij het betreft de krachtens het tweede lid aangewezen stoffen.

2.       Bij ministeriële regeling kunnen afvalstoffen of reststoffen, categorieën afvalstoffen of reststoffen of eindproducten van bij die regeling omschreven bewerkingsprocédés worden aangewezen, indien er naar het oordeel van Onze Minister geen landbouwkundige en milieukundige bezwaren bestaan dat deze stoffen als meststof worden verhandeld of bij de productie van meststoffen worden gebruikt.

3.       Meststoffen zijn niet met afvalstoffen of reststoffen gemengd, tenzij het betreft de krachtens het tweede lid, aangewezen stoffen.