Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200305219/1 en 200305219/2

Uitspraak 200305219/1 en 200305219/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:AJ3345
Datum uitspraak
4 september 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 december 2002, verzonden op 6 januari 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een tuinbouwkas op het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200305219/1 en 200305219/2.
Datum uitspraak: 4 september 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de stichting "Het Limburgs Landschap" en de stichting "Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht,
appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond van 10 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002, verzonden op 6 januari 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een tuinbouwkas op het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 31 maart 2003 heeft het college vastgesteld dat voorafgaand aan de verzending van het besluit van 10 december 2003 reeds van rechtswege bouwvergunning was verleend, de door appellanten tegen het besluit van 10 december 2003 gemaakte bezwaren aangemerkt als te zijn gericht tegen deze van rechtswege verleende vergunning en deze bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 6 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P.W. Killaars, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het als bestemmingsplan aan te merken “Uitbreidingsplan in hoofdzaken”, voor zover het de realisering van het voorliggende bouwplan mogelijk maakt, onverbindend is. Zij voeren daartoe aan dat dit bestemmingsplan sterk is verouderd en niet in overeenstemming is met het huidige rijks-, provinciaal - en gemeentelijk ruimtelijk beleid voor het betrokken gebied en om die reden in strijd is met artikel 10 en artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.2. Dit betoog faalt. De in artikel 33, eerste lid, genoemde termijn van tien jaren is een termijn van orde, waaraan geen gevolgen zijn verbonden voor de rechtskracht van het bestemmingsplan. Voorts is het enkele feit dat het bestemmingsplan, naar gesteld, niet in overeenstemming is met het ruimtelijk beleid, zoals dat thans luidt, onvoldoende voor het oordeel dat het plan in zijn geheel dan wel gedeeltelijk wegens strijd met voormeld artikel 10 verbindende kracht moet worden ontzegd.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in overeenstemming is met genoemd bestemmingsplan. Gelet hierop en gezien de datum van indiening van de aanvraag om bouwvergunning, heeft het college in zijn besluiten van 31 maart 2003 terecht aangenomen dat op 6 januari 2003, zijnde de datum van verzending van het besluit van 10 december 2000, voor het bouwplan reeds ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege bouwvergunning was verleend.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij zijn besluiten van 31 maart 2003 de bouwvergunning alsnog had moeten weigeren, omdat in verband met de realisering van het bouwplan mogelijk ook krachtens de Flora- en faunawet vergunning, vrijstelling of ontheffing is vereist.

2.5. Gelet op artikel 44 van de Woningwet, zoals dat tot 1 januari 2003 luidde, en het limitatief-imperatieve karakter van deze bepaling, faalt dit betoog evenzeer. De door appellanten aangehaalde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 22 februari 1994 in zaak no. S03.93.5340 (gepubliceerd in M en R 1995, 87) leidt niet tot een ander oordeel.

2.6. Gezien het vorenstaande, leidt hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat de voorzieningenrechter de beroepen tegen de besluiten van 31 maart 2003 ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

2.7. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2003

201.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon