Uitspraak 202301650/1/V2


Volledige tekst

202301650/1/V2.
Datum uitspraak: 19 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2023 in zaak nr. NL21.6721 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het bezwaar) neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend waaruit blijkt dat hij de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.

Overwegingen

1.       Voor zover de vreemdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting bedoelt te betogen dat het hoger beroep niet voldoet aan artikel 85 van de Vw 2000, omdat de staatssecretaris bij de rechtbank niet heeft aangevoerd dat de gemachtigde van de vreemdeling het beroep had ingetrokken, leidt dit betoog niet tot het ermee beoogde doel. De Afdeling moet namelijk ook ambtshalve, dat wil zeggen los van de wil van partijen, toetsen of er een beroep voorlag waarop de rechtbank diende te beslissen.

2.       De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3453, onder 3.1), kan een bevoegd gedane intrekking van een beroep na afloop van de beroepstermijn in beginsel niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waar hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde om de betrokkene te bewegen het beroep in te trekken.

2.2.    De gemachtigde van de vreemdeling heeft het op 3 mei 2021 bij de rechtbank ingestelde beroep op 25 november 2022 ingetrokken. In de brief van 28 november 2022 heeft de gemachtigde de rechtbank meegedeeld dat het ingestelde beroep per abuis is ingetrokken en dat dit niet de bedoeling was. Deze omstandigheid is aan de vreemdeling toe te rekenen en levert in beginsel geen situatie van dwaling, als hiervoor bedoeld, op. De vreemdeling heeft niets aangevoerd waarom dat in deze zaak anders zou zijn. Uit het voorgaande volgt dat de intrekking niet ongedaan kon worden gemaakt. Vergelijk de uitspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3836, onder 2.

2.3.    De rechtbank heeft het bij haar ingestelde beroep ten onrechte behandeld. Het is immers in strijd met het stelsel van de Awb om op een met toepassing van artikel 6:21 van die wet ingetrokken en dus niet meer bestaand beroep te beslissen.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2023 in zaak nr. NL21.6721.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2024

363-1047