Uitspraak 202205810/1/R1


Volledige tekst

202205810/1/R1.
Datum uitspraak: 14 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Zwaanshoek, gemeente Haarlemmermeer,

appellant,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Zwaanshoek Hanepoel tussen 174-196" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Vastgoed Nationaal B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2023, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door ir. J. Beelen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vastgoed Nationaal, vertegenwoordigd door [vier gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 19 oktober 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het bestemmingsplan voorziet in het bouwen van drie woningen langs de Hanepoel in Zwaanshoek. Het plan vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan "Zwaanshoek Noord en Boseilanden". De gronden die bij het plangebied behoren, liggen tussen Hanepoel 174 en Hanepoel 196 in Zwaanshoek. De gronden zijn in gebruik als tuin, behorende bij de woning aan de Hanepoel 196. Vastgoed Nationaal is de eigenaar van het perceel waarop de woningen worden gebouwd en wil deze woningen bouwen. [appellante] woont aan [locatie A], tegenover het plangebied, en heeft bezwaren tegen de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

4.       [appellante] heeft op de zitting een aantal beroepsgronden ingetrokken. Het gaat om de beroepsgrond dat er geen onderzoek is gedaan naar het varend ontgassen op de Ringvaart. Verder gaat het om de beroepsgrond dat het akoestisch rapport op basis van een verkeerd uitgangspunt is opgesteld, omdat de mogelijke realisatie van de erkers daarbij niet is betrokken en omdat er geen dove gevel is opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast gaat het om de beroepsgrond dat het flora- en faunaonderzoek verkeerde uitgangspunten bevat. Ook de beroepsgrond over het besluit hogere waarden en de beroepsgrond dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat er oeverbeschoeiing moet worden aangelegd op de gemeentegronden om het water ‘op zijn plaats’ te houden worden ingetrokken. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet bespreken.

Beroepsgronden van [appellante]

participatie

5.       [appellante] betoogt dat sprake is van strijd met het gemeentelijk participatiebeleid. Er heeft geen participatie plaatsgevonden en met de opmerkingen op de kennismakingsavond is niets gedaan.

5.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende participatie heeft plaatsgevonden en dat het proces niet onzorgvuldig is verlopen. Bij de participatie is rekening gehouden met wat in de Inspraakverordening Haarlemmermeer 2019 is opgenomen. De raad heeft in dit verband toegelicht dat de ontwikkelaar de gelegenheid heeft geboden voor een persoonlijk gesprek in het dorpshuis. Na afloop is een samenvatting rondgestuurd met de uitkomst van deze gesprekken. Naar aanleiding van deze samenvatting is één reactie ontvangen, waarop een nadere toelichting is gegeven. Verder zijn de omwonenden geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpplan is voorts ter inzage gelegd en er is gelegenheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen, overeenkomstig de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) geregelde procedures. [appellante] heeft niet onderbouwd waarom het proces niet voldeed aan de eisen die gelden voor participatie. Dat niet aan (alle) wensen van [appellante] uitvoering is gegeven, betekent niet dat het participatieproces onzorgvuldig is verlopen. Het betoog slaagt niet.

te late bekendmaking

6.       [appellante] betoogt verder dat het bestemmingsplan na vaststelling te laat bekend is gemaakt.

6.1.    De door [appellante] genoemde mogelijke onregelmatigheid bij de bekendmaking van het vaststellingsbesluit, wat daar ook van zij, is een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:454). Het betoog slaagt niet.

strijd met de provinciale omgevingsverordening

7.       [appellante] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 (hierna: de Omgevingsverordening), waarin het perceel de bestemming ‘landelijk gebied’ heeft. Zij verwijst hiertoe naar artikel 6.4 van de Omgevingsverordening, waarin regels zijn gesteld over kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. Zo is ingevolge artikel 6.4 van de Omgevingsverordening, dat ook volgens de raad van toepassing is, de bouw van nieuwe woningen binnen landelijk gebied niet toegestaan.

7.1.    De raad betoogt dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), waarin het relativiteitsvereiste is opgenomen, in de weg staat aan vernietiging van het besluit, omdat de ingeroepen bepaling van de Omgevingsverordening strekt tot bescherming van provinciale belangen en het niet aan appellante is om voor die belangen op te komen. De provincie heeft geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan.

7.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat het plangebied valt binnen het werkingsgebied landelijk gebied. [appellante] woont tegenover het plangebied, waarop artikel 6.4 van de Omgevingsverordening ziet. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maken, zijn van invloed op het woon- en leefklimaat van [appellante]. Onderdeel van dat woon- en leefklimaat is het landelijk karakter van het gebied, dat door artikel 6.4 van de Omgevingsverordening wordt beschermd. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb niet aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond in de weg.

7.3.    Op grond van artikel 6.4 van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling, als voldaan is aan de in dat artikel genoemde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat het aantal burgerwoningen niet toeneemt. Niet in geschil is dat niet aan deze voorwaarden is voldaan; het bestemmingsplan voorziet immers in de realisatie van drie nieuwe woningen. Dat, zoals de raad naar voren heeft gebracht, in het regionale Woonakkoord Amstelland-Meerlanden deze locatie als ontwikkellocatie wordt genoemd en de provincie in 2019 geen opmerkingen heeft gemaakt bij het voorontwerp, waarin werd uitgegaan van bestaand stedelijk gebied, en ook geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan, neemt niet weg dat de ontwikkeling die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet is toegestaan op grond van artikel 6.4 van de Omgevingsverordening. Weliswaar bestaat op grond van artikel 13.4 van de Omgevingsverordening de mogelijkheid om ontheffing te krijgen van de regels in hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening, maar de raad heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Gelet hierop is sprake van strijd met artikel 6.4 van de Omgevingsverordening en kleeft er een gebrek aan het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt. De raad heeft de Afdeling verzocht om de zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen voor het geval de Afdeling het besluit gebrekkig acht. Als die mogelijkheid wordt geboden, zal de raad een ontheffingsaanvraag indienen, als bedoeld in artikel 13.4 van de Omgevingsverordening. De Afdeling zal hieronder bij de conclusie nader ingaan op dit verzoek.

gebreken bodemonderzoek

8.       [appellante] betoogt verder dat het verrichte bodemonderzoek, gelet op artikel 3.1.1a van het Bro te oud is. Het verkennend bodemonderzoek van BK Ingenieurs dateert van meer dan zes jaar geleden. Daarom mocht het niet worden gebruikt.

8.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit op dit punt. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het bodemonderzoek in dit geval wel aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd, omdat sinds het bodemonderzoek geen bodemingrepen of andere activiteiten hebben plaatsgevonden.

8.2.    De raad heeft terecht aangegeven dat uit de tekst van artikel 3.1.1a van het Bro niet volgt dat een onderzoek maximaal twee jaar gebruikt kan worden. In die bepaling staat namelijk dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Of oudere gegevens kunnen worden gebruikt zal van geval tot geval kunnen verschillen. In dit verband is van belang dat de raad gemotiveerd heeft toegelicht dat sinds het bodemonderzoek geen bodemingrepen of andere activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemgesteldheid beïnvloeden. Dit is door [appellante] niet weersproken (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3001). De Afdeling neemt hierbij verder in aanmerking dat bij de omgevingsvergunningaanvraag voor de te bouwen woningen nog een bodemonderzoek moet worden verricht en komt tot het oordeel dat de raad, gelet hierop gebruik heeft mogen maken van de bodemgegevens, ook al zijn die ouder dan twee jaren. Het betoog slaagt daarom niet.

8.3.    Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 8.2 heeft overwogen kan het verweer van de raad dat het betoog van [appellante] afstuit op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste onbesproken blijven.

ecologische zone

9.       [appellante] betoogt verder dat het in stand houden van de ecologische zone niet is gewaarborgd, aangezien vergunningvrij gebouwd mag worden op de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Omdat er bij de bestemming ‘Tuin’ geen oppervlaktebeperking is opgenomen voor bouwwerken (niet-zijnde gebouwen), kan de gehele bestemming ‘Tuin’ volgebouwd worden met bouwwerken.

9.1.    De raad heeft op de zitting toegelicht dat het de bedoeling was om met de gebiedsaanduiding ‘ecologische zone’ tot uitdrukking te brengen dat de daar aanwezige ecologische zone in stand wordt gelaten. Beoogd is om daarmee te bereiken dat de gronden binnen deze gebiedsaanduiding geen achtererf zijn, in de zin van artikel 1, lid 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht om op deze wijze vergunningvrij bouwen uit te sluiten. Dat is volgens de raad in het bestemmingsplan "Zwaanshoek Noord en Boseilanden", dat tot de vaststelling van het bestemmingsplan ook voor deze locatie gold, uitdrukkelijk geregeld. De raad heeft op de zitting erkend dat de regeling in het hier bestreden bestemmingsplan op dit punt tekortschiet. Reeds om deze reden is ook in zoverre sprake van een gebrek in het besluit van 14 juli 2022. De beroepsgrond slaagt.

watercompensatie

10.     [appellante] betoogt verder dat de planregels niet waarborgen dat aan de vereiste watercompensatie wordt voldaan, omdat verhardingen en groen toegestaan zijn. In dit verband is volgens [appellante] van belang dat er meer watercompensatie nodig is dan waar de raad vanuit gaat. Verder ontbreekt een voorwaardelijke verplichting die inhoudt dat eerst de watercompensatie moet worden gerealiseerd voordat de woningen in gebruik mogen worden genomen.

10.1.  De raad heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op dit punt. [appellante] geeft volgens de raad niet aan welk concreet persoonlijk belang zij heeft bij de watercompensatie. Het hoogheemraadschap heeft geen bezwaren tegen het bestemmingsplan kenbaar gemaakt. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan watercompensatie niet hoeft te garanderen en dat voldoende is als uit het bestemmingsplan blijkt dat er voldoende water gecompenseerd kan worden. Het hoogheemraadschap is de instantie die op basis van de Keur vergunning verleent, toeziet en handhaaft op het compenseren van water. Een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan is daarom niet nodig. De raad heeft tot slot naar voren gebracht dat in de door [appellante] gemaakte berekeningen dubbeltellingen, rekenfouten en onjuiste aannames zitten.

10.2.  [appellante] heeft in het kader van de relativiteit naar voren gebracht dat zij vreest voor eventuele wateroverlast door toename van verharding, omdat haar perceel lager is gelegen. Dit raakt volgens [appellante] ook haar woon- en leefklimaat.

10.3.  [appellante] beroept zich met haar betoog op de norm van een goede ruimtelijke ordening die vanuit het oogpunt van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mede het aspect waterhuishouding omvat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2892). Dit aspect van een goede ruimtelijke ordening strekt mede tot de bescherming van de belangen van [appellante]. Artikel 8:69a van de Awb staat dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit in de weg. De Afdeling zal de beroepsgrond daarom inhoudelijk behandelen.

10.4.  De raad heeft op de zitting desgevraagd toegelicht hoe artikel 4.1 van de planregels, waarvan de authentieke tekst in de bijlage bij deze uitspraak staat, moet worden gelezen. De raad heeft uitgelegd dat de eerste vier onderdelen (namelijk c. water, d. waterhuishoudkundige voorzieningen, e. bergbezinkbassins en f. bruggen ten behoeve van langzaam verkeer) hoofdfuncties zijn. Wat na de onder g. opgenomen zinsnede "met daarbij behorend(e):" komt (dat wil zeggen vanaf punt h, waaronder verhardingen) staat ten dienste van de hoofdfuncties. De Afdeling zal bij de beoordeling van het standpunt van de raad uitgaan van de door de raad gegeven lezing van dit artikel. Verder heeft de raad desgevraagd toegelicht dat getoetst is aan de ten tijde van het besluit van 14 juli 2022 geldende Keur. Dat is de keur Rijnland 2020. Ook zijn de "Uitvoeringsregels op grond van de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem" (hierna: de uitvoeringsregels) van toepassing.

10.5.  In de plantoelichting (paragraaf 5.1.2) wordt uiteengezet hoe de vereiste watercompensatie is berekend en welke watercompensatiemaatregel zal worden getroffen. Indien de verharding met meer dan 500 m2 toeneemt, geldt een compensatieverplichting van 15%. Omdat in totaal 935 m² wordt verhard, moet 140 m² extra oppervlaktewater worden gecreëerd. De raad heeft toegelicht dat aan de voorzijde van de woningen in totaal 147 m² extra aan wateroppervlak wordt gerealiseerd. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft volgens de raad ingestemd met deze watercompensatiemaatregel. De Afdeling is van oordeel dat de raad hiermee afdoende heeft gemotiveerd dat de vereiste watercompensatie mogelijk is. Anders dan [appellante] betoogt, komen de door de raad gehanteerde uitgangspunten de Afdeling niet onjuist voor. In dit verband is ook van belang dat de berekening van [appellante] uitgaat van 2000 m² verharding bij een totale oppervlakte van het plangebied van 2.253 m². Een dergelijke mate van verharding is, zoals de raad terecht betoogt, geen realistische invulling van het plangebied. Het betoog van [appellante] slaagt niet.

verkeer

11.     [appellante] betoogt voorts dat de verkeersberekening gebaseerd is op oude gegevens. In de omgeving hebben al veel ontwikkelingen plaatsgevonden, waarvan het verkeer ook (deels) over de Hanepoel wordt afgewikkeld. Daarom had gebruik moeten worden gemaakt van de meest representatieve verkeersgegevens.

11.1.  Zoals volgt uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 8 november 2017 leidt de omstandigheid dat een onderzoek ouder is dan twee jaar niet zonder meer tot het oordeel dat dit daarom niet of niet meer aan besluiten ten grondslag gelegd mag worden. De raad heeft gemotiveerd toegelicht dat de toename van het verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling in totaal 26 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. In het drukste uur zal sprake zijn van een toename van 1,3 (afgerond 2) motorvoertuigen. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een toename van deze omvang in de praktijk niet waarneembaar zal zijn. [appellante] heeft niet onderbouwd dat, mede gelet op recente ontwikkelingen, sprake zal zijn van een onaanvaardbare verkeersdruk. Het betoog van [appellante] slaagt in zoverre niet.

parkeren

12.     Verder betoogt [appellante] dat het parkeren niet op eigen terrein kan worden opgelost, omdat binnen de bestemming ‘Tuin’ niet geparkeerd mag worden en de parkeerplekken op eigen terrein niet afzonderlijk bereikbaar zijn.

12.1.  De raad heeft toegelicht dat binnen de bestemming ‘Tuin’ verhardingen en opritten mogelijk zijn. Op een oprit kan en mag volgens de raad worden geparkeerd, omdat de planregels het parkeren op een oprit niet verbieden. De raad verwijst in dit verband terecht naar het "Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018", waarin een oprit wordt gezien als een parkeervoorziening. De raad heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat er voldoende ruimte is voor parkeerplaatsen en dat daarmee aannemelijk is dat het parkeren mogelijk is. De raad betoogt in dit verband terecht dat de daadwerkelijke toetsing of aan de parkeereis wordt voldaan, gelet op artikel 11.1.1 van de planregels, bij de omgevingsvergunningaanvraag plaatsvindt. Bij die toetsing komt ook aan de orde hoe de parkeervoorzieningen worden vormgegeven (naast elkaar of achter elkaar). Het betoog van [appellante] slaagt ook in zoverre niet.

tweede uitweg

13.     [appellante] betoogt dat de omgevingsvergunning voor de activiteit uitweg niet verleend kan worden, omdat een perceel geen tweede uitweg kan hebben.

13.1.  De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake zal zijn van meerdere uitwegen voor één perceel. Het perceel Hanepoel 196 zal in vier percelen worden gesplitst, waardoor het voor ieder perceel mogelijk is een eigen uitweg te realiseren. Het betoog van [appellante] slaagt ook in zoverre niet.

bezonning

14.     [appellante] betoogt tot slot dat in de bezonningsstudie is uitgegaan van een nokrichting haaks op de weg, terwijl in het bestemmingsplan niet is geborgd dat de woningen alleen op die manier kunnen worden gerealiseerd . Als de woningen evenwijdig aan de weg worden gerealiseerd en wordt uitgegaan van planmaximalisatie, waarbij een kaphelling van 89 graden en een bouwhoogte van 9 m in aanmerking moeten worden genomen, worden de resultaten van de schaduwberekening anders.

14.1.  De raad verwijst naar de door ir. E.M. Veldman opgestelde bezonningsstudie van 15 februari 2022. Volgens de raad gaat de berekening daarin uit van een ‘worst case scenario’, zodat het op een andere manier plaatsen van de woningen steeds voordeliger voor [appellante] zal zijn.

14.2.  De Afdeling stelt vast dat [appellante] haar betoog over de bezonning heeft beperkt tot de door haar gevreesde effecten wanneer de in de bezonningsstudie weergegeven woningen anders worden gepositioneerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] niet concreet gemaakt dat de bevindingen in het bezonningsrapport onjuist of onvolledig zijn. Dat de woningbouw tot voor haar onevenredige effecten zal leiden, is niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat uit de bezonningsstudie blijkt dat er vrijwel geen schaduweffecten op het perceel van [appellante] te verwachten zijn. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

15.     Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.3 is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 6.4 van de Omgevingsverordening. Gelet op hetgeen is overwogen onder 9.1 is het bestreden besluit tevens in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De raad heeft de Afdeling verzocht een bestuurlijke lus toe te passen om alsnog een ontheffing te verkrijgen en om zelf in de zaak te voorzien door de regels met betrekking tot de ecologische zone aan te vullen. De Afdeling ziet geen aanleiding deze verzoeken te honoreren. Nu op voorhand onvoldoende inzichtelijk is of Gedeputeerde Staten bereid zijn om een ontheffing te verlenen en, indien dat het geval is, op welke termijn de raad over een ontheffing kan beschikken, acht de Afdeling het toepassen van een bestuurlijke lus niet opportuun. Omdat het bestemmingsplan wordt vernietigd, is er evenmin aanleiding om ten aanzien van de ecologische zone zelf in de zaak te voorzien.

16.     De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

17.     De raad moet de proceskosten van [appellante] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 14 juli 2022, waarbij het bestemmingsplan "Zwaanshoek Hanepoel tussen 174-196" is vastgesteld;

III.      draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Yildiz
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024

594

BIJLAGE

Artikel 4.1 van de planregels van het bestemmingsplan:

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       water;

b.       waterhuishoudkundige voorzieningen;

c.       bergbezinkbassins;

d.       bruggen ten behoeve van langzaam verkeer;

e.

met daarbij behorend(e):

f.        verhardingen;

g.       groen;

h.       nutsvoorzieningen

met daaraan ondergeschikt:

k.       vlonders, steigers, overkappingen of daaraan gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde.