Uitspraak 202102742/1/V1


Volledige tekst

202102742/1/V1.
Datum uitspraak: 7 februari 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 april 2021 in zaak nr. NL21.1052 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 2 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft de opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling van 20 februari 2020 ingewilligd met ingang van 20 februari 2020, geldig tot 20 februari 2025. De vreemdeling is het niet eens met de ingangsdatum. Bij brief van 31 december 2020 heeft de vreemdeling de staatssecretaris verzocht de opvolgende asielaanvraag ook aan te merken als een verzoek om heroverweging van een eerder besluit van 11 april 2017. Bij dat besluit is een eerdere asielaanvraag van de vreemdeling van 11 november 2016 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Met een uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017 staat het eerdere besluit van 11 april 2017 in rechte vast.

2.       Aan het verzoek om heroverweging van het besluit van 11 april 2017 heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris bij besluit van 26 september 2017 heeft vastgesteld dat zij op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, een verblijfsrecht heeft bij haar Nederlandse zoon, geboren op [geboortedatum] 2002. De vreemdeling betoogt dat zij ten tijde van het besluit van 11 april 2017 dat verblijfsrecht al had en dat de staatssecretaris ten onrechte geen analoge toepassing heeft gegeven aan de artikelen 12 en 19, eerste lid, van de Dublinverordening. Daarom moet de staatssecretaris terugkomen van zijn besluit van 11 april 2017. Verder stelt de vreemdeling dat de staatssecretaris bij brief van 24 november 2016 aan de Tweede Kamer heeft meegedeeld dat in Jemen een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn bestaat. Ook daarom bestaat aanleiding voor de staatssecretaris om terug te komen van het besluit van 11 april 2017, aldus de vreemdeling.

3.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in het verweerschrift in beroep het standpunt heeft ingenomen dat hij in het besluit van 4 januari 2021 ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om heroverweging. Maar de rechtbank heeft aanleiding gezien dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat niet gebleken is dat de vreemdeling hierdoor in haar belangen is geschaad. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris de ingangsdatum van de verblijfsvergunning terecht vastgesteld op 20 februari 2020.

3.1.    Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich in het verweerschrift terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bij het eerdere besluit van 11 april 2017 niet is uitgegaan van evidente onjuistheden. Het besluit van 11 april 2017 staat in rechte vast. In dat besluit heeft de staatssecretaris de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld, terwijl hij dat in het besluit van 4 januari 2021 wel heeft gedaan. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank dan ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij, in tegenstelling tot de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:298, in dit geval twee verschillende afdoeningsgronden heeft toegepast en de staatssecretaris niet is teruggekomen van een eerder onrechtmatig besluit. Geen aanleiding bestaat dus om van de hoofdregel van artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 af te wijken. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de staatssecretaris daarom geen aanleiding heeft hoeven zien om de verblijfsvergunning aan de vreemdeling te verlenen met ingang van 11 november 2016, de datum van de eerdere asielaanvraag.

4.       De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in het verweerschrift alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet is teruggekomen van het besluit van 11 april 2017 en dat hij de verblijfsvergunning terecht heeft verleend met ingang van 20 februari 2020. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het door haar in het besluit van 4 januari 2021 geconstateerde motiveringsgebrek heeft gepasseerd.

4.1.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank het gebrek in het besluit van 4 januari 2021 ten onrechte heeft gepasseerd op grond van de door de staatssecretaris in het verweerschrift gegeven motivering. De staatssecretaris heeft in dat verweerschrift namelijk geoordeeld dat geen grond bestaat om het besluit van 11 april 2017 te heroverwegen. Daarbij is de staatssecretaris niet ingegaan op de door de vreemdeling aan het verzoek om heroverweging ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Maar als de staatssecretaris een verzoek om heroverweging afwijst onder verwijzing naar een eerder besluit, dan moet de staatssecretaris wel uitleggen waarom de door de vreemdeling ingebrachte feiten en omstandigheden geen aanleiding geven om terug te komen van dat besluit. Door de staatssecretaris te volgen in zijn standpunt dat het eerdere besluit van 11 april 2017 niet evident onjuist was, is de rechtbank, evenals de staatsecretaris, eraan voorbijgegaan dat de vraag of het eerdere besluit evident onjuist was pas aan de orde komt nadat is beoordeeld of de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden grond bieden om terug te komen van het eerdere besluit. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris die beoordeling ten onrechte achterwege heeft gelaten.

4.2.    Dat de staatssecretaris bij het eerdere besluit van 11 april 2017 de asielaanvraag van de vreemdeling niet inhoudelijk heeft beoordeeld, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, hierbij niet van belang. Ook aan dat besluit van 11 april 2017 lag een asielaanvraag ten grondslag en ook toen had de staatssecretaris de bevoegdheid die inhoudelijk te behandelen. Dat hij deze aanvraag niet in behandeling heeft genomen, staat er dus niet aan in de weg dat de vreemdeling nu alsnog heroverweging van dat besluit vraagt in die zin dat zij alsnog per 11 november 2016, de datum van de eerste asielaanvraag, verblijfsrecht krijgt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de uitspraak van 1 februari 2019 ook in dit geval van toepassing en staat artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 er niet aan in de weg om een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum dan het verzoek om heroverweging te verlenen.

4.3.    Uit wat hiervoor in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het besluit van 4 januari 2021 in stand te laten.

4.4.    De grieven slagen.

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Het besluit van 4 januari 2021 wordt vernietigd. Bij het nemen van het nieuwe besluit moet de staatssecretaris beoordelen of de aan het verzoek om heroverweging ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aanleiding vormen om de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te heroverwegen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 april 2021 in zaak nr. NL21.1052;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 4 januari 2021, V-[...]

V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Beerse
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2024

382-1061