Uitspraak 202106398/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:36
- Datum uitspraak
- 11 januari 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202106398/1/V2.
Datum uitspraak: 11 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 1 oktober 2021 in zaak nr. NL21.6009 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 1 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y.G.F.M. Coenders, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De vreemdeling heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag onder andere ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Nigeria vreest voor problemen met het netwerk van de mensenhandelaren waarmee hij eerder in aanraking is geweest, omdat hij geld is verschuldigd aan een mensenhandelaar in Libië die zijn paspoort heeft ingenomen. De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling slachtoffer is geweest van mensenhandel. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling echter niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor mensenhandelaren bij terugkeer, omdat hij het gestelde risico op ernstige schade slechts heeft gebaseerd op een niet nader onderbouwd vermoeden en de schaal waarop represailles plaatsvinden ook niet duidelijk blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria van maart 2021 (hierna: het AA 2021).
Oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat uit het AA 2021 onvoldoende eenduidig blijkt in welke mate slachtoffers van mensenhandel aan represailles worden onderworpen. Zij heeft desondanks overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade. In dit verband heeft zij overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende aanknopingspunten biedt om een analyse, als bedoeld in de Country Guidance van Nigeria van 2019 van het European Asylum Support Office, p. 61, te verrichten van de mate waarin de vreemdeling risico loopt op vergelding of risico loopt opnieuw slachtoffer te worden van mensenhandel in Nigeria. De rechtbank heeft gewicht toegekend aan twee redenen die de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor niet concreet over zijn schuld heeft verklaard en dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) zijn aangifte van zijn slachtofferschap mensenhandel heeft geseponeerd.
Grieven over de motivering van de staatssecretaris over het risico bij terugkeer naar Nigeria
3. In de eerste tot en met de derde grief klaagt de vreemdeling over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij betoogt onder andere dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de twee omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt om geen risicoanalyse te verrichten, geen verband houden met de vraag of hij bij terugkeer naar Nigeria een risico loopt op ernstige schade. Hij is tijdens het nader gehoor namelijk niet in de gelegenheid gesteld om over de schuld te verklaren. Ook betekent de sepotbeslissing van het OM volgens de vreemdeling niet dat hij slechts daarom al bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt.
Sepotbeslissing OM
3.1. Zoals de vreemdeling terecht betoogt, staat in dit geval de omstandigheid dat het OM de strafzaak over mensenhandel heeft geseponeerd, los van de vraag of hij bij terugkeer heeft te vrezen voor een van de mensenhandelaren met wie hij eerder in aanraking is geweest wegens zijn openstaande schuld. In de beslissing op de aangifte staat immers dat het OM geen vervolging heeft ingesteld, omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor het gros van de feiten die de mensenhandelaren volgens de vreemdeling hebben gepleegd en, daarnaast, omdat er onvoldoende opsporingsindicaties zijn voor de in Nederland gepleegde feiten waarvan hij heeft verklaard slachtoffer te zijn geworden. Gelet op deze motivering van het sepot heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij gelet op dat sepot geen risicoanalyse heeft verricht. De grieven slagen in zoverre.
Verklaringen over de openstaande schuld
3.2. Ook voert de vreemdeling terecht aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om over zijn openstaande schuld te verklaren. De vreemdeling heeft immers tijdens het nader gehoor gedetailleerd verklaard over zijn reis naar Europa en de mensenhandelaren met wie hij onderweg in aanraking is gekomen. Ook heeft hij tijdens dat gehoor verklaard dat zijn paspoort is ingenomen door een van de mensenhandelaren en dat hij deze mensenhandelaar niet heeft betaald voor zijn reis naar Libië en naar Italië. Uit deze verklaring volgt dat de vreemdeling stelt dat hij een openstaande schuld heeft. Het had op de weg van de gehoorambtenaar gelegen om over de schuld door te vragen. Het ontbreken van een concrete verklaring over de schuld kan daarom geen reden zijn waarom de staatssecretaris geen risicoanalyse heeft verricht. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grieven slagen in zoverre eveneens.
De verwijzing in de schriftelijke uiteenzetting naar het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria van 2023
3.3. Voor zover de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting wijst op het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria van 2023 (hierna: het AA 2023), omdat volgens hem daaruit niet eenduidig blijkt op welke schaal represailles plaatsvinden in Nigeria jegens naar Nigeria terugkerende slachtoffers van mensenhandel, leidt dat niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4346, onder 3.2 heeft overwogen, is bij gebrek aan nadere informatie niet uitgesloten dat uit p. 88 van het AA 2023 volgt dat alle terugkerende slachtoffers van mensenhandel in Nigeria het risico lopen op represailles. Hieruit volgt dat de enkele verwijzing naar het AA 2023 in de schriftelijke uiteenzetting onvoldoende is om het standpunt te kunnen dragen dat de vreemdeling geen risico loopt op represailles bij terugkeer naar Nigeria. Voor een dergelijk standpunt is een nadere motivering vereist.
Overige betogen en grieven
4. Wat de vreemdeling verder in de eerste tot en met de derde grief en in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 13 april 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 1 oktober 2021 in zaak nr. NL21.6009;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 13 april 2021, V-[....];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling
van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot
een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024
314-1003