Uitspraak 202206414/1/V3


Volledige tekst

202206414/1/V3.
Datum uitspraak: 7 december 2023

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 november 2022 in zaken nrs. NL22.16432, NL22.16434 en NL22.16436 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 augustus 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris terecht over het oordeel van de rechtbank dat de vreemdelingen aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Bulgarije geen internationale bescherming meer hebben omdat zij de geldigheidsduur van hun Bulgaarse verblijfsdocumenten niet tijdig hebben verlengd of die documenten niet tijdig hebben vervangen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, onder 4-4.15. De grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, zijn de beroepen alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 november 2022 in zaken nrs. NL22.16432, NL22.16434 en NL22.16436;

III.      verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2023

873